De Rotterdamse havenpersclub Kyoto heeft zich er dit jaar met een Jantje van Leiden van afgemaakt.
Niks geen lange vergaderingen in een rokerig zaaltje met een zo mogelijk nog langere borrel na afloop.
Geen eindeloze afweging van kandidaten. Geen stakende stemmen. Het was in een kwartiertje gepiept.
Ebus was immers al een aantal jaren reservekandidaat en dus om het zo eens te zeggen uit voorraad leverbaar.
Jan Ebus Havenman van het Jaar.
Terecht, natuurlijk.

Hij hoort thuis in dat selecte groepje van havenondernemers over wie je je geen zorgen hoeft te maken.
Ze gaan om zeven uur van huis met een pakje brood onder de snelbinder. Ze komen ruim voor het laatste journaal weer thuis. In de tussengelegen uren hebben ze waarde toegevoegd aan de Nederlandse economie.
Ze hebben meestal een broertje dood aan rapporten en ergeren zich godsgruwelijk aan trage politieke besluitvorming.
Het motto van de Rotterdamse haven – ’Niet lullen maar poetsen’ – hangt Delftsblauw boven hun schoorsteenmantel.

De titel zelf is uiteraard volstrekt waardeloos.
De bakker geeft je echt geen gratis dozijn zachte puntjes mee, omdat je Havenman van het Jaar bent geworden. Je wordt op straat nog steeds niet herkend, laat staan dat je vóór mag bij het postkantoor.
Je komt niet voor niks binnen bij Feyenoord. Integendeel, het tarief voor de skybox wordt daags na uitverkiezing fors opgeslagen.
Foutparkeren kost gelijk vijftig procent meer dan voor de gewone sterveling.
Voor de gewone bedrijfsvoering is het funest als de ondernemer door Kyoto op het schild is geheven. Je klanten zullen met verdubbelde energie proberen, de rekening naar beneden te praten. Je bent toch Havenman van het Jaar? Dan kan er vast nog wel wat van af.
En je personeel komt de volgende ochtend direct met looneisen. Gefeliciteerd, baas, kan er voor ons nog wat af? Je bent het niet in je eentje geworden, dat heb je immers zelf gezegd.

Jaloezie, dat ook.
Je collega’s vragen zich af: hij wel, ik niet, hoe komt dat? Wat die Ebus kan, kan ik zeker zo goed. Het is trouwens nog maar een broekie. Hoezo dan Havenman van het Jaar.
Op feesten en partijen zetten ze hun eigen Jag pontificaal naast jouw afgeragde Opel Astra.
Ze trekken pakken aan die net een slagje duurder zijn dan het jouwe.
Allemaal kinnesinne, dat wel, maar toch vervelend.

Het allerergste is: je moet het telkens weer bewijzen.
Je bent Havenman van het Jaar, dus dan mag er niets meer misgaan. Elke tegenslag wordt breed uitgemeten. En wat er ook gebeurt: jij hebt het gedaan.
Nee, als ik Ebus was geweest, had ik de oorkonde beleefd, maar stellig geweigerd.
In het belang van Ebrex, had ik er ter verklaring bij gezegd.
Want daar gaat het uiteindelijk allemaal om.