Juridisch betekent ’verjaring’ dat men bepaalde rechten verliest eenvoudig door het verloop van een tijdsbestek zonder dat men iets ondernomen heeft dat de verjaring stuit of verlengt. Bij voorbeeld, vaak moet een vordering binnen een bepaald tijdsbestek aanhangig gemaakt worden. Als dat niet gedaan werd, is het vorderingsrecht tenietgegaan alleen door verloop van tijd.
Verjaring in de Nederlandse Expeditievoorwaarden, beter bekend als de FENEX-voorwaarden, wordt geregeld door art.21, hoewel niet zo duidelijk, zoals uit het volgende blijkt.

Balt-Dutch had aan Morcon schriftelijk opdracht gegeven een T1-document op te maken voor het vervoer van een uit Riga afkomstige container wodka van Rotterdam naar Meppel. Morcon en Trans World Marine (verder TWM) waren in een zodanige relatie tot elkaar dat Morcon dit soort documenten kon uitschrijven op naam van TWM, die bij de douane zekerheid had gesteld. Jammer genoeg voor alle betrokkenen (uitgezonderd de dieven) werd een deel van de lading gestolen, zodat het T1-document slechts gedeeltelijk gezuiverd kon worden. Daarop stuurde de Douane TWM een uitnodiging tot betaling van ruim twee ton wegens verschuldigde belastingen en accijnzen. Een bezwaarschrift van TWM werd afgewezen en de Douane ging over tot invordering van de waarborg van TWM.
Niet zo lang daarna werden TWM en Morcon kort na elkaar failliet verklaard. De curator spande een kort geding aan tegen Balt-Dutch tot betaling van de twee ton. De kort-gedingrechter wijst dit toe met veroordeling van de curator om Balt-Dutch een zekerheid te geven van een kwart miljoen voor het geval in een bodemprocedure of in hoger beroep de zaak anders uitpakt. Inderdaad gaat Balt-Dutch in beroep, maar legt het geschil ook voor aan arbitrage, zoals voorgeschreven in de eerste twee zinnen van art. 23 FENEX-voorwaarden, waarin ook de tussenkomst van de gewone rechter uitgesloten wordt.
De aanvalsstrategie van Balt-Dutch tegen de curator in de arbitrage bevat twee stappen: a. Balt-Dutch is niet de opdrachtgever van Morcon/TWM wat betreft het opmaken van het T1-document, maar dat deed Balt-Dutch slechts als agent van een derde, Eurodrinks; b. de vordering van de curator tegen Balt-Dutch was verjaard. Het laat zich horen dat de curator tegen beide opvattingen precies het tegenovergestelde beweert.
De arbiters gaan tamelijk makkelijk om met stelling a. en wat de curator daartegenover stelt, want als stelling b. van Balt-Dutch, namelijk het beroep op verjaring, zou slagen, dan komt stelling a. niet eens meer aan de orde.
Art. 21 FENEX-voorwaarden nu leest: ,,In overeenstemming met de wet verjaart elke vordering door het enkele verloop van negen maanden.’’ De verwijzing naar de wet is volgens de arbiters ’onmiskenbaar’ naar art. 8:1740, 1 BW, dat inderdaad een verjaringstermijn van negen maanden bevat voor rechtsvorderingen uit een overeenkomst ’tot het doen vervoeren van goederen’. Maar daarvan is hier geen sprake. Het gaat om een opdracht, die aanvaard en uitgevoerd werd, tot het opmaken van een T1-document. Dat is een andere expediteursbezigheid en valt via art.1, 1 FENEX-voorwaarden daaronder, want daar is sprake van ’iedere vorm van dienstverlening die de expediteur verricht’. De arbiters vragen zich dan ook af of op rechtsvorderingen uit overeenkomsten, anders dan tot het doen vervoeren van goederen, wellicht de wettelijke termijn van vijf jaar toepasselijk is, zoals elders in het BW bepaald wordt (boek 3, 11, 310, 1). Terwijl de arbiters de opstellers van de FENEX-voorwaarden min of meer verwijten dit over het hoofd te hebben gezien, voeren zij historische en andere argumenten aan om te besluiten dat de verjarings-termijn van negen maanden in art.21, 1 FENEX-voorwaarden ’ook (geldt) voor andere vorderingen dan die gegrond op een overeenkomst tot het doen vervoeren’. en dus ook voor zoiets als een opdracht tot het uitmaken van een T1-document.

Juridisch is – naast zekerheid over de lengte van een verjaringstermijn – de zekerheid omtrent het tijdstip van aanvang van die termijn minstens zo belangrijk. Immers, als dat tijdstip niet heel precies vast te stellen is of vastgesteld wordt, hangt de afloop van de verjaringstermijn geheel in de lucht en daarmee de vraag of een vordering al of niet verjaard is. De arbiters stellen vast dat de FENEX-voorwaarden hierover niets rechtstreeks zeggen. Weliswaar doet art. 21, 1 FENEX-voorwaarden dat wel indirect door verwijzing naar de wet (zoals hiervoor al vermeld). Maar de arbiters vinden het daarin besloten aanvangstijdstip van de verjaring (namelijk de dag volgend op de aflevering van de goederen) niet voor de hand liggen, want de vordering komt niet voort uit een overeenkomst tot het doen vervoeren van goederen, maar wel uit de opdracht tot het opmaken van een document. De arbiters moeten dus opnieuw een (andere) redelijke uitleg geven van het betrokken FENEX-artikel. Dat doen ze dan door aansluiting te zoeken bij de artikelen 3.307 en 3.310 BW met de volgende zin: ,,Al naargelang de vordering gekwalificeerd dient te worden als (1) een vordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst, dan wel (2) een vordering tot vergoeding van schade, vangt de verjaringstermijn aan (in geval 1) op de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, dan wel (in geval 2) de benadeelde met de schade bekend is geworden.’’ (toevoegingen tussen haakjes; overigens komma’s toegevoegd).
Onvermeld blijft hier de arbitrale analyse van de feiten en omstandigheden in de uiterst complexe relaties tussen Morcon, TWM, hun curatoren die overigens dezelfde persoon zijn, en Balt-Dutch. Het is immers nauwelijks te verwachten dat zich ooit een replica hiervan voordoet. Maar de analyse leidt de arbiters ertoe te concluderen dat de verjaringstermijn in elke veronderstelling verstreken was.
Nu bevatten de FENEX-voorwaarden nog een andere verjaringstermijn in art.21, 3. Deze bedraagt drie maanden en geldt voor een aanspraak van een derde tegen één van de partijen (de expediteur dus of zijn klant), die na de eerste verjaring van negen maanden (zoals hierboven besproken) wordt ingediend. Maar het artikel vermeldt geen aanvangstijdstip. Volgens de arbiters is de bedoeling van het artikel de aangesproken partij nog drie maanden de tijd te geven voor het zoeken van regres. Daarmee in overeenstemming besluiten de arbiters dat deze verjaringstermijn aanvangt vanaf het moment dat de aangesproken partij kennis krijgt van de vordering. In dit geval dus het tijdstip waarop Morcon door TWM werd aangesproken wegens de vordering van de Douane op TWM. Ook deze verjaring was een feit toen de curator van TWM een vordering bij de curator van Morcon schriftelijk indiende.
De arbiters behandelen dan nog de vraag of (de curator van) TWM een rechtstreekse vordering tegen Balt-Dutch heeft uit een relatie lastgever/-hebber of uit onrechtmatige daad. Beide mogelijkheden worden na uitvoerig onderzoek van de diverse relaties en de handelingen van betrokkenen afgewezen. Waarop de tegeneis van de curator wordt afgewezen met de opdracht Balt-Dutch de bankgarantie van een kwart miljoen terug te geven. En dit in beginsel alleen maar als gevolg van de verduidelijking die arbiters hebben moeten geven van de dus niet zo heldere verjaringsbepalingen in de FENEX-voorwaarden.

Voor de uiterst gecompliceerde feiten en omstandigheden van de zaak in zijn geheel, zie nr.111 in S&S van november 1998.

Verjaring wordt in de Fenex-voorwaarden niet duidelijk geregeld