Grijzere wolken kunnen zich niet samenpakken boven Artichaut-les-Bains. Klein en kleumerig tekenen de huisjes van het zomers zo aardige voorstadje van Quimper zich af tegen een zwerk van leisteen.
De boerderij is oud en vervallen.
’Merde’, zegt de doorweekte boer, zijn alpino afzettend. Hij schenkt zich een calva in en drinkt het glas in één teug leeg.
’En? Hoe was het op de markt?’ informeert zijn vrouw.
’Miserabel. M’n kippen ben ik kwijt, voor vijftien franc per stuk. Maar de varkens staan weer allemaal op stal. Het is de prijs, hè. Ze bieden je niet eens de kosten van het voer.’
Madame Colza legt haar borduurwerkje neer. ’Les Hollandais, nietwaar?’
’Dat is het. Die verdomde kaaskoppen met hun grote
slachterij. Du Mec Eau. Ze bederven alles.’

Mevrouw Colza roert in een grote pot soep en snijdt, op haar forse boezem, een stokbrood in stukken.
’Er was hier vandaag een meneer aan de deur.’
’Een meneer?’
’Monsieur An de là uit Nederland. Hij was een jurist van de Et Veau, of iets van dien aard. Hij kwam navraag doen over die chauffeur die ze laatst hier in de buurt hebben vastgehouden.’
’Et Veau? Wat heeft die ermee te maken? Het ging om varkens.’

’De Et Veau is een verladersorganisatie. Ze wil de schade op de daders verhalen. Driehonderdduizend franc.’
Boer Colza haalt z’n schouders op. ’Nou, mooi. Wat heb ik daar mee te maken?’
Ze veegt het broodmes af aan haar schort. ’Nou, ik dacht … Je was de laatste tijd wel erg vaak au bistro. Toch kwam je steeds nuchter thuis. Hoe kan dat, dacht ik.’
’Nom de cochon, mens, je moet niet denken. Schep nu eindelijk m’n bord eens vol.’
Maar de soep smaakt hem al niet meer.

In het café van Artichaut is de gijzeling nog steeds het gesprek van de dag.
’Bij Colza zijn ze ook al langs geweest’, weet een grijze boerenknecht te melden.
’Is het waar wat de Hollanders beweren: dat de gendarmes met de armen over elkaar toekeken?’ vraagt de pastoor. Hij drinkt zich moed in voor het biechtuur van morgen.
’Dat zou ik wel denken’, beaamt de stoppelige dorpskapper. ’Maar monsieur le maire is het dan ook stiekem eens met de boeren.’
’En u zelf, eerwaarde?’ vraagt de knecht. Hij kijkt een beetje dreigend ’Wat vindt u ervan?’
De geestelijke wringt zijn handen. ’Het was natuurlijk fout wat jullie, eh, wat ze gedaan hebben. Maar de kerk heeft altijd begrip.’
Hij schenkt wat water bij zijn pastis.
Weer zal hij straks het kruisbeeld niet durven aankijken.

Om een uur of tien, Marie wil al bijna afsluiten, komt een verwaaide en verwarde Colza het etablissement binnen. Hij slaat aan de bar drie calva’s achterover en gaat dan, pet in de hand, voor de pastoor staan.
’Kan ik u morgen spreken, vader?’
’Nu al, Colza. Ik zit immers voor je.’
’Nee, nee, ik bedoel… U weet wel.’

Die nacht kan de pastoor de slaap niet vatten. ’Du Mec Eau, Et Veau, Eau-de-Vie’, wentelt het door zijn hoofd. Hij draait het lichtje aan op om een pil te pakken.
Dan slaat hij met de vlakke hand op het nachtkastje. ’Nom de cochon’, zegt hij en schrikt er zelf van. ’Schadevergoeding! Laat ze maar naar Chirac toestappen. Deze mensen zijn al genoeg gestraft.’