De recente verandering in de Fenex-condities is de vierde op rij. De voorlaatste, in 1992, was nodig om de condities aan te passen aan Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek. De wijziging van 1987 was de meest ingrijpende, omdat in die condities voor het eerst de aansprakelijkheid van expediteurs werd vastgelegd. Er kwam een aansprakelijkheid voor expediteurs in geval van schuld van twee SDR’s per kilo en duizend SDR’s per zending, met een maximum van 7.500 SDR’s. Bij de laatste wijziging zijn die bedragen verdubbeld, tot vier SDR’s per kilo en 2.000 SDR’s per zending.
Het probleem voor douane-expediteurs is dat zij zekerheid willen van hun opdrachtgevers als er buiten hun schuld problemen met de douane zijn ontstaan en de fiscus met een navordering komt. Van Os wijst erop dat volgens jurisprudentie (rechtspraak en arbitrage) het redelijk is dat douane-expediteurs hun opdrachtgevers kunnen aanspreken voor navorderingen van invoerrechten en accijnzen bij zendingen die achteraf buiten de schuld van de expediteur niet correct blijken te zijn afgehandeld. Er zijn geruchtmakende zaken geweest, bij voorbeeld met certificaten van oorsprong die naderhand niet juist bleken te zijn, die expediteurs opzadelden met forse fiscale navorderingen, terwijl zij daar zelf part noch deel aan hadden. Voor opdrachtgevers is het ook verstandig om dit soort problemen voor hun expediteurs op te lossen, zo meent Van Os.

Vertegenwoordiger
Formeel kan het risico naar de opdrachtgever worden verschoven als de expediteur optreedt als directe vertegenwoordiger van de opdrachtgever. In dat geval wordt aangifte ten invoer gedaan op naam en voor rekening van de opdrachtgever. Het probleem is dat de overheid daar niet echt aan wil meewerken, zegt van Os. Waarom niet? Wel, expediteurs zijn voor de fiscus gemakkelijke inzamelaars van douanerechten en accijnzen. De overheid wil die tollenaars niet graag kwijt. Van Os zegt het wel niet met zoveel woorden, maar zijn ietwat sardonische glimlach zegt genoeg.
Volgens de Nederlandse en Europese wetgever is de aangever aansprakelijk. Het behoort tot het ambacht van de douane-expediteur, zo zegt de wetgever, om het kaf van het koren te onderscheiden. Als de expediteur dus in zee gaat met een opdrachtgever waarmee naderhand problemen ontstaan, dan is de aangever aansprakelijk.
Van Os zegt dat die stelling wel wat erg simpel is. Er ontstaan soms problemen die geen mens had kunnen voorzien. Ook de opdrachtgever niet. Het gaat niet alleen om fraude, ook om zaken die te goeder trouw worden gedaan. Uiteraard moet een expediteur risico-analyses toepassen op nieuwe opdrachtgevers, om malafide bedrijven buiten de deur te houden. Dat doen expediteurs dan ook en de Fenex staat haar leden op dat gebied met raad en daad terzijde. Maar daarmee is het probleem niet opgelost, zegt Van Os.

Een ander probleem met directe vertegenwoordiging, zo zegt van Os, is dat het Sagitta-aangiftesysteem van de douane daar niet op is ingesteld. ,,Expediteurs kunnen bij directe vertegenwoordiging niet via Sagitta aangifte doen. Bij aangifte moeten rechten en accijnzen cash worden betaald. Een expediteur moet dan met een zak met geld over straat. Je kunt toch niet volhouden dat dat nog van deze tijd is. Een expediteur kan bij de fiscus uitstel van betaling aanvragen. Daar zit ook weer een adder onder het gras. De expediteur moet dan zekerheid stellen. Maar dat bedrag mag bij directe vertegenwoordiging niet worden gebruikt voor het doen van aangiften. Het gaat om een rechtstreekse douaneschuld van de importeur. Daar heeft de expediteur niets mee te maken.’’

De Fenex is erop uit de verantwoordelijkheid te leggen waar die verantwoordelijkheid gelegd moet worden: bij de ladingbelanghebbende. Ook de Tariefcommissie – de hoogste rechterlijke instantie in douanezaken – heeft gezegd dat van de expediteur met zoveel uiteenlopende opdrachtgevers te veel verlangd kan worden. Fiscale opsporingsdiensten hebben soms jaren nodig om onregelmatigheden te constateren. En dat kunnen ook onregelmatigheden zijn – zie de problemen met certificaten van oorsprong – waar een expediteurs niets mee van doen heeft en waar hij ook niets tegen kan doen. Dan kan na jaren nog een navordering volgen. Fenex heeft de zaak bij de douane aangekaart, maar de douane loopt niet erg hard. Verder heeft de Fenex met leedwezen moeten constateren dat de Europese Commissie bij haar standpunt ten aanzien van de aansprakelijkheid van expediteurs blijft. Dat schiet allemaal niet op, wil Van Os maar zeggen.
Bij de laatste wijziging van de Fenex-condities zijn de regels terzake van het verhaalrecht verduidelijkt, zegt Van Os. ,,De materie zelf was al geregeld in de condities van 1992.
Met de nieuwe condities willen wij voorkomen dat scherpzinnige advocaten er toch nog een vinger achter kunnen krijgen.’’

Arbitrage
Een belangrijke verandering in de nieuwe condities is dat de Fenex nu ook zal optreden bij arbitragezaken voor niet-leden. Dat is vooral om praktische redenen gebeurd, zegt Van Os. Tot dusver werden voor niet-leden via Fenex geen arbiter aangewezen. De betrokken expediteurs moesten dan naar de rechter om een arbiter te krijgen. De rechter vroeg de Fenex dan of zij niet een goede arbiter hadden. De zaak kwam dan dus toch weer bij de Fenex terecht. De Fenex heeft daarom besloten ook voor niet-leden arbitragezaken te gaan doen, al hangt daar voor niet-leden uiteraard een ander prijskaartje aan dan voor leden. De Fenex blijft wel ageren tegen niet-leden als die met een bedrijfslogo of iets dergelijks de suggestie wekken Fenex-lid te zijn.
Er is bij de laatste conditiewijziging overleg geweest met de EVO, de natuurlijke tegenhanger van de Fenex.
Fenex is nog niet zover om tweezijdige Algemene Voorwaarden, van Fenex en EVO samen, te accepteren, zegt Van Os. Daarvoor zijn de meningsverschillen tussen EVO en Fenex nog te principieel. De beleefdheid gebiedt echter wel om vooraf van gedachten te wisselen. De EVO had overigens geen overwegende bezwaren tegen de wijzigingen.