De vrachtbrief bij het vervoer van een partij textiel van ergens op de Veluwe naar Napels bevatte het duidelijke verbod voor de chauffeur om met zijn beladen vrachtwagen op een niet-bewaakte parkeerplaats te overnachten in Italië. Desondanks koos hij een niet-bewaakte overnachtingsplaats, Orte langs de weg van Firenze naar Bologna, waar hij was overvallen en beroofd van zijn vrachtauto en de lading textiel ter waarde van zo’n 200.000 gulden.
Alsof de vervoerder al voelde aankomen dat hij voor de schade gedagvaard zou worden, begon hij zelf een proces tegen de afzender, de ontvanger en de verzekeraar bij de rechtbank in Arnhem om een ‘verklaring voor recht’ te verkrijgen dat zijn aansprakelijkheid beperkt is tot het bedrag van de maximum aansprakelijkheid volgens de CMR. Voor het eerste voerde hij de toepasselijkheid van art. 17.2 CMR aan, want volgens hem was schade het gevolg van ‘omstandigheden, die de vervoerder niet heeft kunnen vermijden en waarvan hij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderen’.
De rechtbank kan hierin niet meegaan. Volgens de rechter zijn de heersende doctrine en de jurisprudentie in alle landen die partij zijn bij de CMR, dat een vervoerder zich alleen met succes op overmacht kan beroepen, indien ‘hij aantoont dat hij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder … te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen’. Dit nu had de vervoerder volgens de rechtbank niet aangetoond. Onder meer de algemene bekendheid van frequente diefstallen in Italië (het speelde in 1997) en het uitdrukkelijke verbod in de vrachtbrief hadden voor de chauffeur redenen moeten zijn om veel eerder dan omstreeks het middaguur te gaan informeren waar op de route een bewaakte parkeerplaats was, mede ook met oog op zijn plicht om te voldoen aan regels inzake rij- en rusttijden. De vervoerder had het laatste ook nog aangevoerd als een oorzaak van overmacht, maar de rechter keert dit juist om en vindt de rij- en rusttijden een gewoon gegeven, dat wellicht tot problemen had kunnen leiden als er zich een onverwacht en onvoorzien oponthoud had voorgedaan, dat de vervoerder niet gesteld heeft en waarvan overigens ook niets anderszijds gebleken is.
Het wordt nog erger voor de vervoerder: Zijn beroep op de beperking van zijn aansprakelijkheid volgens art. 23.3 CMR noopt de rechter te onderzoeken of er aan de kant van de vervoerder sprake is van ‘zijn opzet of schuld zijnerzijds, welke volgens de wet van het gerecht, waar de vordering aanhangig is, met opzet gelijkgesteld wordt’ (art. 29.1 CMR). De rechtbank oordeelt dat het in strijd handelen met het uitdrukkelijke voorschrift in de vrachtbrief en de algemene bekendheid in de transportsector van diefstallen in Italië, redenen zijn waarom de chauffeur zich willens en wetens blootgesteld heeft aan ‘de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans dat het risico van diefstal zich zal verwezenlijken’. En dat levert opzet of schuld op, zoals bedoeld in art.29.1 CMR.
De verzekeraar krijgt dus volledig gelijk en de vervoerder draait als verliezer bovendien nog op voor de proceskosten.
Het hof beoordeelt de zaak en voornamelijk het doen en (na)laten van de chauffeur in het licht van enkele arresten van de Hoge Raad, waaruit volgens het hof het volgende voortvloeit: ‘Naar Nederlands recht dient onder met opzet gelijk te stellen schuld te worden verstaan … handelen … of nalaten (die) aangemerkt dienen te worden als roekeloos en met de wetenschap dat de schade er waarschlijnlijk uit zal voortvloeien’.
Het hof interpreteert dat weer als volgt: ‘dat degene die zich aldus gedraagt het aan de gedraging verbonden gevaar kent en zich ervan bewust is dat de kans dat het gevaar zich zal verwezenlijken aanzienlijk groter is dan de kans dat dit niet zal gebeuren, maar zich (hierdoor) niet van dat gedrag laat weerhouden’. Diepgaande analyse van de verklaringen van partijen en van de gegeven omstandigheden brengt het hof ertoe de vervoerder in het gelijk te stellen. In het bijzonder de duidelijke instructie in de vrachtbrief betekent niet dat de chauffeur van mening geweest zou moeten zijn dat op déze onbewaakte parkeerplaats (namelijk te Orte) de kans van een overval aanzienlijk groter zou zijn dan dat zo’n overval achterwege zou blijven. Het verbod in de vrachtbrief geeft wel aan dat de situatie in Italië gevaarlijk is, maar niet dat déze niet-bewaakte parkeerplaats zonder meer onder dit gevaar viel. De chauffeur had tijdig naar bewaakte terreinen geïnformeerd, die er niet bleken te zijn op die route, behalve in Rome, welk terrein als onveilig bekend stond. De chauffeur had dan ook bewust daarvan afgezien. Reden waarom het hof de vervoerder in het gelijk stelt.
We nemen uit het arrest ook nog mee dat het schriftelijk afwijzen van een vordering onder terugzending van de ‘daarbij gevoegde stukken’ (art. 32.2 CMR) de schorsing van de verjaringstermijn beëindigt. Maar nieuw is dat de voorwaarde van terugzending van de ‘daarbij gevoegde stukken’ niet geldt indien die stukken fotokopieën zijn van de originele stukken, die de eiser dus onder zich gehouden heeft. De zin van die voorwaarde was in de jaren vijftig dat de eiser weer in het bezit gesteld werd van originele (bewijs)stukken, die hij nodig zou hebben in het proces. Het maken van fotokopieën was toen nog zo zeldzaam en omslachtig dat de ontwerpers van de conventie alleen rekening hielden met originele stukken, die dus teruggezonden moesten worden. Het terugontvangen van fotokopieën door een eiser die de originele stukken nog heeft, dient tegenwoordig geen enkel doel. En dus mag de schorsing van de verjaring best eindigen ook zonder terugzending van die fotocopieën.

Gebaseerd op de vonnissen van de Rechtbank en het Gerechtshof van Arnhem, verschenen in S&S van december 2002, nr. 137.