Zeeland houdt het niet droog meer, de laatste dagen. Stoere Zeeuwen, die een paard met één hand optillen, schieten vol. Oude vrouwtjes wenen onder hun kappen. De voltallige Statenvergadering barstte onlangs in een bitter schreien uit. Want de veren, ach de veren varen vandaag voor ‘t laatst.
Drie van de vijf veerboten zijn inmiddels voor een bedragje van één miljoen euro verkocht aan Italianen, die er de dienst tussen Sicilië en het vasteland mee willen onderhouden, totdat de boten het echt begeven. De overige twee varen nog een jaartje als voet/fiets-veer tussen Vlissingen en Breskens. Ze kunnen per keer tweehonderd auto’s meenemen, maar daar komt niks van in, want er wordt voortaan op de Westerschelde geen motorvoertuig meer overgezet. Dat verkeer moet voortaan door een buisje, dat op z’n diepst zestig meter onder de zeespiegel doorschiet.
Veerboten, ik weet het soms niet. Een tochtje naar Engeland kan een genoegen zijn. Hoe hoger de zee, des te beter. Terwijl de rest groen over de railing hangt, eet je in de gezellige formica ontbijtzaal op je gemak de bak met worstjes leeg. Je kunt ook je leven wagen tussen pakweg Java en Bali, tussen de Filipijnen, in Bangladesh en dergelijke regio’s. Je krijgt een lekkere prak opgewarmde nasi voorgezet, terwijl de tropische vissen onder je doorschieten en de gekste vogels zich bedelend bij je bord vervoegen.
Allemaal leuk, maar het risico van een ‘Herald of Free Enterprise’ of een ‘Estonia’ zit er natuurlijk altijd in. En al helemaal op de voor-vorige ‘Prinses Beatrix’, die, tot op de draad versleten, ver na haar pensioen tussen de haaien in de Stille Oceaan van Nanumanga naar Nanumea moet voortploeteren, met veel te veel mensen en vrachtauto’s aan boord, bij elke roeruitslag zwaar slagzij makend.
Bij de Provinciale Stoomboot Diensten, nog één dag afkloppen, is nooit een ramp gebeurd. Hulde aan de veerman. Wel lagen de Zeeuwse veren er, mocht je de radioberichten geloven, chronisch uit omdat het te mistig was. Maar dat was dan ook alles. De Schelde is een moeilijke rivier en de Westerschelde een lastig estuarium. Die vaar je niet graag al zigzaggend op als je geen hand voor ogen ziet.
En de veren waren de enige niet, want ik heb als jongetje in Vlissingen op dat soort dagen wat schepen buitengaats voor anker zien gaan, terwijl ze hun misthoorns droevig over de Roompot lieten loeien. Dat waren de momenten waarop ik het liefst, met mijn stepje aan de hand, bij het beeld van De Ruyter stond, terwijl achter me de visvrouwen hun ratelende karren, het loopvlak van de houten wielen met ijzer versterkt, naar de markt reden. Nu krijg ik zelf verdomme bijna natte ogen.
Met de meeste veren is het gebeurd, vrienden, in ons werelddeel. Zweden en Denemarken zitten al aan mekaar met wat we een ‘vasteoeververbinding’ noemen. Het veer Rødby-Puttgarden – ach, de ‘Prins Henrik’ – wordt ernstig bedreigd door tunnel- en brugbouwplannen. Sicilië krijgt, als de Zeeuwse boten het gehad hebben, zijn eigen tunnel, of brug, met de punt van de laars. Het zal er weinig aan schelen of de Balearen zien op een dag een tunnelworm opduiken die in het kader van de moderne tijd alles beter maakt.
Maar ach, die ratelende viskarren, die zijn er ook allang niet meer.