Het Europese spoorwegnet gaat morgen voor een groot deel open voor internationaal goederenvervoer. Nationale spoorwegen moeten dan buitenlandse spoorondernemingen op hun internationale routes toelaten. Het is geen wonder dat dit juist in België en Frankrijk tot beroering heeft geleid. Die commotie lijkt echter voorbarig.
Vandaag wordt er actie gevoerd op het Belgische spoor tegen de liberalisering. In Frankrijk maken politici zich zorgen over de positie van de nationale spoorwegmaatschappij. SNCF Fret is zwaar verliesgevend en de vrees is dat de inkomsten zullen dalen door toenemende internationale concurrentie. In het bijzonder België en Frankrijk, met in hun kielzog Italië en Spanje, hebben zich altijd sterk verzet tegen het liberaliseringsbeleid van de Europese Unie. Ze proberen de monopoliepositie van hun traditionele railmaatschappijen te beschermen. Zeker Frankrijk heeft de reputatie de deur potdicht te houden voor buitenlandse ondernemingen. Anderzijds heeft de Belgische NMBS sinds kort een concurrent op het binnenlands net in de vorm van Dillen & Lejeune.
De opstelling van die landen komt voort uit vrees voor sociale onrust. Willen maatschappijen als SNCF of de Italiaanse FS winstgevend worden, dan moet een groot deel van het personeel worden ontslagen. Het gaat hierbij om tienduizenden mensen. De staatsondernemingen zullen de kosten aanzienlijk moeten verlagen om op te kunnen boksen tegen de lagere tarieven van private ondernemingen. Ter illustratie, SNCF Fret kampt met een verlies van 405 miljoen euro, 2,7 procent van de omzet. Keer op keer slagen de vakbonden met stakingsacties er in ingrijpende maatregelen tegen te houden. Voorstanders van liberalisering erkennen het probleem en hebben wel eens gepleit voor een Europees sociaal fonds voor het spoorwegpersoneel. Een idee dat door Brussel niet is opgepakt.
Ondanks alle protesten uit het zuidelijk deel van Europa weet Brussel niet van wijken. De liberaliseringspolitiek gaat door en morgen wordt een belangrijke stap gezet. Ongeveer een derde van het Europese spoorwegnet is vanaf 15 maart opengesteld voor internationaal goederenvervoer. Frankrijk kan dan treinen van buitenlandse ondernemingen als Railion of Rail4chem niet meer de toegang ontzeggen. Het is de eerste stap op weg naar een geheel vrij Europees vrachtvervoer per spoor in 2006.
Het effect ervan is echter kleiner dan op het eerste gezicht lijkt. Vrije toegang is mooi, maar er is nog een berg aan praktische obstakels. Zo moet een railonderneming in ieder land een veiligheidsattest verkrijgen om er te mogen rijden. Dat zijn procedures die al gauw een half jaar in beslag nemen. Bovendien moeten spoorbedrijven speciale en dus dure locomotieven aanschaffen die de verschillende netspanningen in de verschillende landen aankunnen.
Werkelijke liberalisatie is pas mogelijk als het hele Europees netwerk één technisch en veiligheidssysteem heeft, zodat spoorondernemingen zonder lange procedures en extra kosten overal kunnen rijden. De Europese Commissie heeft een stap in die richting gezet, maar het wordt hoog tijd dat die voornemens worden uitgevoerd. Anders blijft het beleid steken bij mooie woorden.