Hij legt binnenkort een voorstel aan het bestuur voor om de deelname te beëindigen. Daarmee lijkt een eind te komen aan een moeizaam traject om de krachten in de binnenvaart te bundelen, dat al tweeënhalf jaar duurt. De brancheorganisatie, waarbij veel grote rederijen zijn aangesloten, heeft minister Schultz over het besluit geïnformeerd. Die is groot voorstander van de beoogde bundeling in Binnenvaart Logistiek Nederland (BLN).

Volgens Muller is ‘de heersende mening binnen het CBRB volledig omgeslagen’. Aanvankelijk hield vooral de deelgroep ‘Varende ondernemers’ (particuliere schippers) de fusie tegen, maar nu zijn volgens de voorzitter ‘de meeste ledengroepen’ tegen, reden waarom het ‘volgens directie en staf een uitgemaakte zaak is dat de (fusie)doelstelling niet gerealiseerd is en ook niet gerealiseerd kan worden’.

Opvallend aan de brief van Muller is dat hij Kraaijeveld persoonlijk op de korrel neemt. Zo zegt hij dat niet alleen de werkwijze van het comité een rol speelt, ‘maar ook dat van een onafhankelijke vervulling van het voorzitterschap geen sprake meer is’. Volgens hem is Kraaijeveld ‘eigenstandiger’ gaan opereren, bijvoorbeeld door ‘buiten het Transitiecomité om het voorzitterschap van het ‘Droge Lading Comité’, dat door grote rijnvaartondernemers is opgericht, op zich te nemen.

Uit Mullers brief blijkt verder dat de loopgravenoorlog over de zogenoemde NN-gelden, een potje van ongeveer negen ton, nog steeds niet ten einde is. Het CBRB zegt niet gekend te zijn in het besluit om de naam van de stichting Kantoor Binnenvaart te wijzigen in ‘Stichting Beheer NN-gelden’ en daarvoor nieuwe statuten vast te stellen. Kraaijeveld zou daar bovendien samen met BBU-voorzitter Roland Kortenhorst buiten het CBRB om een persbericht over hebben uitgegeven.

Muller zegt verder dat langdurige economische tegenspoed de verhoudingen in de sector op scherp heeft gezet. ‘Recente initiatieven gericht op ingrepen in de vrachtenmarkt hebben dit verschil verder geaccentueerd en tevens voor andere leden de vraag opgeworpen of de naleving van het mededingingsrecht binnen het CBRB naar behoren is gewaarborgd’, aldus Muller.

Hij doelt daarmee op de pogingen in België en Nederland om een ontheffing te krijgen voor de Europese anti-kartelwetgeving. Vooral particuliere schippers vinden dat er een Europees verbod op ’varen onder de kostprijs’ zou moeten komen.

Tenslotte stelt de CBRB-voorzitter dat er ondanks tweeënhalf jaar overleg nog tal van fundamentele vragen onbeantwoord zijn. Het gaat daarbij onder meer om vragen als ‘Wat moet BLN haar leden bieden?’, ‘Hoe kunnen de verschillende ledengroepen, met respect voor hun identiteit en specifieke belangen, bijeen gehouden worden?’ en ‘Welke contributies zijn ledengroepen bereid daarvoor op te brengen?’

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een abonnement af

Start abonnement