Minister verliest zaak overbelading

RAAD & recht

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft afgelopen week een interessante uitspraak gedaan waarmee een besluit tot last onder dwangsom voor overbelading van het ministerie van Infrastructuur werd herroepen, en de vervoerder in kwestie zijn proceskosten en de immateriële schade vergoed kreeg (ECLI:NL:CBB:2021:699).

Wat was er gebeurd? In januari 2019 heeft minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat een last onder dwangsom opgelegd aan een vervoerder omdat diens vrachtauto’s overbeladen zouden zijn geweest. De last had een looptijd van twee jaar. Voor de goede orde: een last onder dwangsom is een sanctie, een dwangmiddel van bestuursorganen om burgers een onrechtmatige situatie te laten herstellen en die voortaan te voorkomen.

Op basis van welke feiten de minister deze maatregel nodig achtte, staat helaas niet in de uitspraak. Over het algemeen mag een dergelijke preventieve herstelsanctie slechts worden opgelegd als het gevaar voor overtreding ‘klaarblijkelijk’ aanwezig is en de last nodig is om overtreding in de toekomst te voorkomen. Specifiek voor overbelading wilde de wetgever de last onder dwangsom echter ook mogelijk maken als aanvullend instrument om fysieke schade aan het wegennet en oneerlijke concurrentie tegen te gaan.

Concreet betekende deze sanctie, dat als de overtreder nogmaals wordt betrapt op overbelading van zijn trucks, deze een geldbedrag (‘dwangsom’) verbeurt. Zo’n dwangsom bedraagt voor iedere keer dat een overbelading tot drie ton wordt geconstateerd 594,35 euro, tot een maximum van in totaal 10.000 euro.

De transporteur in kwestie, laten wij hem gemakshalve vervoerder X noemen, was het met het besluit van het ministerie niet eens en stelde in februari 2019 bezwaar in, en later ook beroep. Pas dit jaar liep de beroepsprocedure bij het CBb. Dit was van belang omdat de looptijd van de opgelegde last inmiddels verlopen was en er in de tussentijd geen nieuwe overtreding was geconstateerd. De minister stelde intussen dat vervoerder X niet-ontvankelijk zou moeten zijn wegens gebrek aan ‘procesbelang’. Het CBb was het daar niet mee eens en oordeelde dat de vervoerder wel belang had bij de procedure, omdat hij vanaf het begin vergoeding heeft gevraagd van de gemaakte kosten voor bezwaar en beroep. Zonder deze simpele maar essentiële vergoedingsvordering voor de proceskosten was de zaak misschien wel op niets uitgelopen.

Verder besloot het CBb dat de opgelegde last strijdig was met het beleid van de minister zelf. Voor overtredingen die via wegcontroles (WIM) aan het licht komen, mag een last namelijk in beginsel slechts voor de looptijd van één jaar worden opgelegd en niet voor twee jaar. Het College besloot de opgelegde last vanwege deze strijdigheid geheel te herroepen.

Als laatste oordeelde het CBb dat de procedure te lang had geduurd (in totaal twee jaar en vijf maanden). Volgens de hoogste bestuursrechters zou (behoudens uitzonderingen) de maximale redelijke termijn voor een bezwaar en beroep twee jaar moeten zijn. De vervoerder kreeg daarom niet alleen de griffierechten en de proceskosten vergoed, maar ook een forfaitaire compensatie van diens immateriële schade. Zo blijkt maar weer dat het zeker zin kan hebben om op te komen tegen een last onder dwangsom van de minister.

Minister verliest zaak overbelading | NT

Minister verliest zaak overbelading

RAAD & recht

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft afgelopen week een interessante uitspraak gedaan waarmee een besluit tot last onder dwangsom voor overbelading van het ministerie van Infrastructuur werd herroepen, en de vervoerder in kwestie zijn proceskosten en de immateriële schade vergoed kreeg (ECLI:NL:CBB:2021:699).

Wat was er gebeurd? In januari 2019 heeft minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat een last onder dwangsom opgelegd aan een vervoerder omdat diens vrachtauto’s overbeladen zouden zijn geweest. De last had een looptijd van twee jaar. Voor de goede orde: een last onder dwangsom is een sanctie, een dwangmiddel van bestuursorganen om burgers een onrechtmatige situatie te laten herstellen en die voortaan te voorkomen.

Op basis van welke feiten de minister deze maatregel nodig achtte, staat helaas niet in de uitspraak. Over het algemeen mag een dergelijke preventieve herstelsanctie slechts worden opgelegd als het gevaar voor overtreding ‘klaarblijkelijk’ aanwezig is en de last nodig is om overtreding in de toekomst te voorkomen. Specifiek voor overbelading wilde de wetgever de last onder dwangsom echter ook mogelijk maken als aanvullend instrument om fysieke schade aan het wegennet en oneerlijke concurrentie tegen te gaan.

Concreet betekende deze sanctie, dat als de overtreder nogmaals wordt betrapt op overbelading van zijn trucks, deze een geldbedrag (‘dwangsom’) verbeurt. Zo’n dwangsom bedraagt voor iedere keer dat een overbelading tot drie ton wordt geconstateerd 594,35 euro, tot een maximum van in totaal 10.000 euro.

De transporteur in kwestie, laten wij hem gemakshalve vervoerder X noemen, was het met het besluit van het ministerie niet eens en stelde in februari 2019 bezwaar in, en later ook beroep. Pas dit jaar liep de beroepsprocedure bij het CBb. Dit was van belang omdat de looptijd van de opgelegde last inmiddels verlopen was en er in de tussentijd geen nieuwe overtreding was geconstateerd. De minister stelde intussen dat vervoerder X niet-ontvankelijk zou moeten zijn wegens gebrek aan ‘procesbelang’. Het CBb was het daar niet mee eens en oordeelde dat de vervoerder wel belang had bij de procedure, omdat hij vanaf het begin vergoeding heeft gevraagd van de gemaakte kosten voor bezwaar en beroep. Zonder deze simpele maar essentiële vergoedingsvordering voor de proceskosten was de zaak misschien wel op niets uitgelopen.

Verder besloot het CBb dat de opgelegde last strijdig was met het beleid van de minister zelf. Voor overtredingen die via wegcontroles (WIM) aan het licht komen, mag een last namelijk in beginsel slechts voor de looptijd van één jaar worden opgelegd en niet voor twee jaar. Het College besloot de opgelegde last vanwege deze strijdigheid geheel te herroepen.

Als laatste oordeelde het CBb dat de procedure te lang had geduurd (in totaal twee jaar en vijf maanden). Volgens de hoogste bestuursrechters zou (behoudens uitzonderingen) de maximale redelijke termijn voor een bezwaar en beroep twee jaar moeten zijn. De vervoerder kreeg daarom niet alleen de griffierechten en de proceskosten vergoed, maar ook een forfaitaire compensatie van diens immateriële schade. Zo blijkt maar weer dat het zeker zin kan hebben om op te komen tegen een last onder dwangsom van de minister.