Tijdens de pandemie is bij overheden de overtuiging ontstaan dat een heroriëntatie noodzakelijk is op de wijze waarop we ons leven leiden, en dat geldt ook voor ons reisgedrag. Juist toen vooral thuis werd gewerkt, is nieuw beleid geïntroduceerd om elektrisch vervoer te stimuleren. Dat beleid is gebaseerd op drie pijlers. De eerste is de extra ondersteunende rol van overheden om elektrische auto’s te introduceren. Al vóór de pandemie waren veel landen bezig met het versterken van dat beleid, bijvoorbeeld door het aantrekken van de CO2-emissienormen, maar eind 2020 hadden inmiddels meer dan twintig landen een verbod op de verkoop van conventionele auto’s aangekondigd of mochten nieuwe auto’s zelfs geen enkele uitstoot meer hebben. In de tweede plaats werden extra stimulansen afgekondigd om de verkoop van elektrische voertuigen te vrijwaren van de economische neergang door corona. Sommige Europese landen verhoogden hun aankoopstimulansen en China, tot vorig jaar marktleider op het gebied van elektrische voertuigen, vertraagde de geleidelijke afschaffing van haar subsidieregeling die in gang was gezet. Ten derde breidde het aanbod aan elektrische modellen spectaculair uit, bleven de batterijkosten dalen en namen de technische prestaties snel toe. De elektrische auto werd een aantrekkelijk product om aan te schaffen en kreeg een zekere status.

De traditionele autoproducenten realiseerden zich laat (sommigen zeggen té laat) dat zij bij deze ontwikkeling niet achter konden blijven. Zij kondigen nu steeds ambitieuzere elektrificatieplannen aan. Van de twintig grootste voertuigfabrikanten ter wereld die in 2020 goed waren voor ongeveer 90% van de verkoop van nieuwe auto’s, hebben er achttien plannen aangekondigd om hun modellenportefeuille van EV’s (Electric Vehicles) uit te breiden. Verstandig, als we zien dat volgens schattingen van het International Energy Agency (IEA) consumenten in 2020 maar liefst 120 miljard dollar uitgaven aan elektrische auto’s. Doe je als fabrikant niet mee, dan mis je de boot. Dat er geen sprake is van een eendagsvlieg, moge blijken uit de persverklaringen van vier grote vrachtwagenfabrikanten die hebben aangegeven een volledig elektrische toekomst tegemoet te gaan.

De vooruitzichten voor de verkoop van EV’s zijn rooskleurig. In het eerste kwartaal van 2021, dus midden in de coronapandemie, steeg de wereldwijde verkoop van elektrische auto’s met ongeveer 140% ten opzichte van dezelfde periode in 2020. Zelfs de verkoop in de VS is ten opzichte van het eerste kwartaal van 2020 meer dan verdubbeld, al gebeurde dat vanuit een veel lagere basis. Naar verwachting zullen in 2030 wereldwijd ruim 145 miljoen EV’s worden verkocht, goed voor 7% van het totale wegvoertuigenpark.

Stopt het hiermee? Ik denk het niet. Het is aannemelijk dat overheden, aangejaagd door de alarmerende berichten over klimaatverandering en de aanstaande ’klimaattop’ COP 26 (Conference of the Parties) in Glasgow, hun inspanningen om de klimaatdoelstellingen te bereiken zullen intensiveren. Als dat gebeurt, zou dat volgens de IEA kunnen betekenen dat het wereldwijde EV-wagenpark in 2030 een marktaandeel krijgt van 12% (230 miljoen voertuigen).

Is dit alles in het belang van het klimaat? Zeer zeker! Uit meerdere onderzoeken blijkt dat het groeiende EV-wagenpark de uitstoot van broeikasgassen van ‘well-to-wheel’ blijvend zal verminderen. In 2030 zal de uitstoot van EV’s meer dan twee derde lager zijn dan die van auto’s met een verbrandingsmotor. Met een doordacht beleid en een duidelijke regierol van de overheid kan door de auto-industrie zo geld worden verdiend aan het klimaatprobleem. En heeft corona toch ook nog iets positiefs gebracht.

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een gratis proefabonnement af

Bekijk de aanbieding