Inmiddels hebben de staatsraden advocaat-generaal Wattel en Widders­hoven onderzoek gedaan naar de basis en de grenzen van de rechterlijke evenredigheidstoetsing in het bestuursrecht. Als de bestuursrechters hun conclusie overnemen, zal de evenredigheidstoetsing mogelijk ook buiten de toeslagenaffaire, zoals bijvoorbeeld in het transportrecht, voor een meer diepgaande rechterlijke toets zorgen. Een hoopvol perspectief.

De laatste jaren voelden rechters zich in hun toetsingsmogelijkheden beperkt door dwingende regelgeving. Schrijnend voorbeeld uit de toeslagenaffaire was een kwestie waarbij een rechter de beslissing van de Belastingdienst in stand hield waarbij een ouder 27.500 euro diende terug te betalen omdat deze eerder een bedrag van 77 euro niet had betaald. De rechter gaf in het vonnis samengevat aan, dat de wet nu eenmaal geen andere mogelijkheid bood. Deze starheid komt onder meer voort uit het uitgangspunt, dat de burger geen indringende bescherming van de rechter nodig heeft doordat dit soort wetten al zijn gecontroleerd door volksvertegenwoordigingsorganen als de Eerste en Tweede Kamer. Dit speelt met name bij beslissingen die niet ‘punitief’ van aard zijn.

In de conclusie van Wattel en Widdershoven wordt aangesloten bij kritiek die Hirsch Ballin al in 2015 uitte: de rechter zou ook bij zogenoemde ‘herstelsancties’ (waarbij burgers alsnog verplicht kunnen worden grote geldsommen te voldoen) niet uitsluitend marginaal – had het bestuursorgaan redelijkerwijs tot dit besluit kunnen komen – moeten toetsen. De staatsraden adviseren dat een rechter bij een zaak over bijvoorbeeld een dwangsom moet toetsen of deze ‘geschikt, noodzakelijk en in proportie’ is en in verhouding is tot het doel dat de onderliggende regelgeving dient.

Meer in het algemeen stellen Wattel en Widdershoven dat de mate van rechterlijke toetsing zou moeten afhangen van het gewicht van de algemene en particuliere belangen die bij zo’n maatregel een rol spelen, een ook van de vraag in hoeverre grondrechten worden aangetast en hoe ingrijpend de gevolgen zijn. Als een maatregel dus ingrijpend genoeg is, zouden rechters deze volgens hen inhoudelijk mogen beoordelen en terzijde mogen zetten als deze niet voldoet aan de evenredigheidstoets, zelfs wanneer de maatregel in beleid gefixeerd is. Hetzelfde zou in mindere mate het geval zijn als wetgeving een ingrijpende maatregel voorschrijft.

Als deze aanbeveling wordt gevolgd, zullen rechters niet meer slechts óf marginaal óf indringend kunnen toetsen, maar zullen zij naarmate een maatregel ingrijpender is of verdergaand inbreuk maakt op grondrechten, steeds indringender kunnen toetsen. Zeker bij transport, waar de handhaving vaak een ‘herstellend’ karakter heeft, kan dit een groot verschil opleveren in hoe de rechters zullen oordelen over de door bestuursorganen geweigerde of ingetrokken vergunningen of zelfs bestuursdwang(sommen). Verwacht was dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in september al zou aangeven of zij deze conclusie volgt, maar het is toch nog even afwachten. Hopelijk is de uitspraak ‘worth the wait’!

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een gratis proefabonnement af

Bekijk de aanbieding