Als Europese Verordening werken deze regels rechtstreeks, dus zonder additionele nationale wetgeving. Echter, en nu komt de crux, is overtreding van die regel ook strafbaar gesteld? De Verordening bevat immers geen strafbaarstelling en evenmin een sanctienorm. Uitgangspunt van het Europese Unierecht is namelijk dat de strafrechtelijke handhaving voorbehouden is aan de lidstaten. Het is dus de bevoegdheid en taak van iedere staat de wettelijke bepalingen te voorzien van sancties.

Fundamentele pijler van het strafrecht is, dat geen feit strafbaar is, tenzij uit kracht van een daaraan voorafgegane wettelijke strafbepaling. De wetgever dient dus voldoende nauwkeurig te omschrijven welke gedraging strafbaar is, onder welke omstandigheden dat het geval is en wat de wettelijke sancties zijn. Alleen na een dergelijke wettelijke verankering is een veroordeling mogelijk. De meest voor de hand liggende wet in dat verband is in Nederland de Wet wegvervoer goederen (hierna: Wwg). Deze wet biedt de basis voor de vereisten waaronder binnenlands vervoer kan plaatsvinden. In een brief van 24 januari 2022 ging de minister van Infrastructuur en Waterstaat in op de ‘return home vehicle’-bepaling. Er werd aangekondigd dat Nederland ‘het pakket’ volgens de gebruikelijke procedures zal implementeren. Daarnaast is de invoering ook aan de orde gekomen bij de ministervergadering van 18 februari van dit jaar.

Tot op heden zijn er in alle nieuwe overzichten van de Wwg nog geen wijzingen opgenomen die verband houden met het ‘return home’-vehicle en mogelijke sancties. Biedt deze wet ook voldoende basis voor de terugkeer-eis-norm? Dat is niet, of in elk geval onvoldoende, het geval. Artikel 2.2 Wwg stelt via de marktverordening (genoemd in de Regeling Wwg) regels voor cabotage. Echter, cabotage is een wezenlijk ander begrip dan (het voldoen aan) vestigingsvoorwaarden. De minister zelf noemt cabotage ook expliciet naast het verplicht terugkeren van het voertuig.

Hoe zit het dan met artikel 2.5 Wwg? Dat artikel verbiedt beroepsvervoer zonder geldige daartoe verleende communautaire vergunning. Het eventuele handelen in strijd met een vergunningsvoorwaarde behoeft niet te betekenen dat de vergunning niet is verleend. Dat zou wel een heel wonderlijke en onhoudbare juridische redenatie opleveren. Dit alles leidt tot de conclusie dat de Nederlandse wetgever geen pas heeft gehouden met de inwerkingtreding van de ‘return home vehicle’-bepaling. Eerder al zijn diverse lidstaten op de vingers getikt voor het niet tijdig opnemen van additionele bepalingen uit het Mobility Package.

Ook Nederland behoort tot de ‘achterblijvers’. Voor Nederland geldt dat op dit moment de ‘return home vehicle’- norm dus niet gepaard is gegaan met de invoering van een bijbehorende wettelijke strafbepaling. Concreet betekent dit, dat overtreding van de terugkeer-eis geen wettelijk strafbaar feit oplevert. Daarmee kan ook geen sanctie worden opgelegd voor het nalaten om aan die norm te voldoen.

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een abonnement af

Start abonnement