De rechter heeft bepaald dat Van den Bosch Transporten tien Hongaarse chauffeurs alsnog net als de Nederlandse chauffeurs moet belonen. De chauffeurs, die bij een zusterbedrijf van Van den Bosch in dienst waren, hebben samen voor vele tonnen aan achterstallig loon te goed, zo heeft de rechtbank Oost-Brabant in een tussenvonnis bepaald.

De Hongaren waren eiser in de in Den Bosch aanhangig gemaakte zaak. Ze spraken ook Van den Bosch aan, omdat de vervoerder van vloeibare en droge bulk uit Erp weliswaar formeel hun werkgever niet was geweest, maar zich wel in bijna alle opzichten zo had gedragen. Zo betaalde Van den Bosch hun de lonen uit – niet het Hongaarse zusterbedrijf – en gaf het de chauffeurs in de dagelijkse praktijk leiding.

Overigens heeft de rechter ook uitgesproken dat van een schijnconstructie geen sprake was. Het zusterbedrijf waarvan de Hongaarse chauffeurs werden betrokken, wordt niet als ‘postbusonderneming’ gezien, omdat het niet alleen voor Van den Bosch, maar ook voor derden werkt.

De kern van het tussenvonnis is dat in het geval van Van den Bosch de zogeheten Detacheringsrichtlijn toepasselijk is. Deze richtlijn, die ook in de Nederlandse wetgeving is verwerkt, schrijft voor dat werknemers uit een Europese lidstaat die in een andere lidstaat te werk worden gesteld, zelfs al is dit maar tijdelijk, volgens de in die andere lidstaat geldende arbeidsvoorwaarden moeten worden beloond. Die beloning zal doorgaans niet boven de minimumvoorwaarden in de cao uitkomen, maar in het geval-Van den Bosch zouden de Hongaren recht hebben op een veelvoud van het loon dat ze in eigen land zouden ontvangen.

Het criterium in de Detacheringsrichtlijn is de mate waarin een chauffeur in een andere lidstaat wordt ingezet. Helaas is dat criterium niet eenduidig omschreven. Hun Hongaarse werkgever bijvoorbeeld voerde tijdens de rechtszaak aan dat de diensten altijd aanvingen en eindigden in Hongarije. De directie van Van den Bosch Transporten wijst daar ook op. ‘Waarom zou een buitenlandse chauffeur in dienst van een buitenlands bedrijf dat internationale transporten verricht onder de Nederlandse cao moeten vallen’, vraagt het bedrijf zich af.

Een goede vraag. De Detacheringsrichtlijn laat ruimte voor heel veel interpretatie, en dus twijfel over wat nu precies wel en wat niet mag. In het gewone bilaterale vervoer tussen twee lidstaten is die twijfel er niet. Een Pool die goederen van zijn land naar Nederland vervoert en in Nederland lading mee terugneemt, kan gewoon volgens de Poolse normen worden beloond. Dat is ook de reden dat dit bilaterale vervoer tegenwoordig vrijwel uitsluitend door Polen wordt verricht. Zijn Nederlandse collega is daarvoor te duur geworden.

Maar we komen op een hellend vlak als deze Pool, of Hongaar, of Est, ‘in’ en ‘vanuit’ Nederland transporten gaat uitvoeren. Dan komt, afhankelijk natuurlijk van de mate waarin dat gebeurt, de Detacheringsrichtlijn nadrukkelijk om de hoek kijken. Is nog sprake van reguliere cabotage, binnen de marges van de wet? Of wordt hier ‘Nederlands’ vervoer verzorgd door een buitenlander? Terecht pleit Van den Bosch ervoor dat werkgevers, bonden en overheden in Europa komen tot eenduidige regelgeving, eenduidige interpretatie en uniforme handhaving. We moeten af van schijnwetgeving.