Ruim 35 jaar geleden was dat heel anders. Toen was ruwe olie goed voor exact de helft van de overslag in Rotterdam, die toen 270 miljoen ton bedroeg. Containers kwamen net kijken en droegen nog maar 10 miljoen ton aan het totaal bij.

De aan- en afvoer van ruwe olie heeft sindsdien dus in omvang zowel relatief als absoluut aan belang ingeboet. Dat betekent niet dat de strategische waarde lager is geworden. De ruwe olie voedt een belangrijke industrie en brengt de haven veel geld op: tankers betalen het hoogste tarief aan havengeld.

Aan de basis van het Rotterdamse oliecluster staan de raffinaderijen. Dat zijn er in Rotterdam zes, waaronder de grootste energiebedrijven ter wereld: Shell, Exxon Mobil (Esso), BP en Kuwait Petroleum. De meeste hebben ook een eigen terminal in het havengebied, maar daarnaast zijn er ook twee grote gedeelde terminals. Dat zijn de Maasvlakte Olie Terminal (MOT), met Shell, Exxon Mobil, BP, Kuwait, Total en Vopak als aandeelhouder, en de TEAM Terminal, waarin Esso, Aramco en BP participeren. MOT en TEAM voeren jaarlijks circa 35 miljoen ton ruwe olie aan en zijn daarmee gezamenlijk goed voor ongeveer tweederde van de aanvoer van ruwe olie in Rotterdam.

Voor de olie-industrie heeft Rotterdam niet alleen Nederlandse maar, ook Europese betekenis. De aanvoer van ruwe olie voor raffinaderijen in Noordwest-Europa bedraagt in totaal zo’n 165 miljoen ton. Rotterdam neemt daar meer dan de helft voor zijn rekening, waarbij de olie voornamelijk uit het Midden-Oosten en Rusland komt. De belangrijkste concurrerende havens zijn Le Havre (ongeveer 35 miljoen ton) en Wilhelmshaven (ruim 20 miljoen ton). Antwerpen dankt zijn positie als grootste petrochemische cluster in Europa mede dankzij de olie die het uit Rotterdam ontvangt. Via de RAPL (Rotterdam Antwerpen Pijpleiding) ontvangen sinds 1971 de twee grootste raffinaderijen in de Scheldehaven – die van Total en ExxonMobil – hun grondstof. Door de beperkte diepgang van de Westerschelde kunnen daar tankers tot slechts 80.000 ton terecht. In Rotterdam kunnen schepen tot 400.000 ton met een diepgang van 22 meter terecht. Behalve twee raffinaderijen in Antwerpen worden er ook één in Vlissingen en twee in Duitsland door de pijpleidingen bevoorraad.

Wat er aan ruwe olie de Rotterdamse haven in gaat, gaat er deels in de vorm van olieproducten weer uit. Het volume aan olieproducten – benzine, diesel, lpg, kerosine, stookolie – is in de loop der jaren sterk gestegen. In 1975 was dat nog maar 33 miljoen ton. Vorig jaar is was het opgelopen tot 78 miljoen ton. Rondom de olie-industrie heeft zich een enorme tankopslagsector ontwikkeld die de handel in dit soort producten faciliteert. Die zijn overigens niet alleen uit Rotterdam afkomstig (productie-gerelateerd), maar komen uit de hele wereld (handelsstromen). Rotterdam kent ongeveer 30 miljoen kubieke meter aan opslagcapaciteit, waar overigens niet alleen olie en olieproducten worden opgeslagen, maar ook vloeibare chemicaliën, biofuels en eetbare oliën. De beschikbare capaciteit in de tankopslag stijgt nog steeds, want overal in de haven worden er tanks bijgeplaatst.

Omdat de aan- en afvoer van dit soort producten met veel kleinere tankers gebeurt, is de concurrentie op dit gebied tussen havens veel groter. Dat komt ook omdat de markt voor het grootste deel in handen is van onafhankelijke opslagbedrijven, die veelal meerdere vestigingen in meerdere havens hebben. De grootste speler op dit gebied, Vopak, heeft terminals in Rotterdam, Antwerpen en Hamburg. Een grote concurrent voor Rotterdam in eigen land is Amsterdam, waar Vopak eveneens met een grote, nieuwe terminal aanwezig is. De hoofdstad mag zich de grootste benzinehaven ter wereld noemen.

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een abonnement af

Start abonnement