‘Dit levert allerlei punt-naar-punt oplossingen op en mini-ecosysteempjes van partners die onderling gemakkelijk data kunnen uitwisselen, maar niet goed kunnen communiceren met partijen uit een ander groepje’, vertelt Remco Dijkman, hoogleraar information systems van de TU Eindhoven.

Dijkman is betrokken bij het grote Europese project FENIX Network (A European FEderated Network of Information eXchange in Logistics), dat twee jaar geleden werd opgestart. De TU Eindhoven werkt aan de technische realisatie van dit federale netwerk.

Het FENIX-project heeft tot doel om de verschillende groepjes op elkaar aan te sluiten. ‘Het is dus uitdrukkelijk niet het zoveelste centrale data-uitwisselingsplatform, maar juist een manier om de data-uitwisselingsplatforms onderling op elkaar aan te sluiten. Zo is een partij die aan aan één data-uitwisselingsplatform deelneemt, ook automatisch op alle andere platforms aangesloten. Dat heeft een positief effect op de overall efficiency van het Europese transport.’

Niet commercieel

Het Fenix Network is opgezet naar aanleiding van aanbevelingen van het Digital Transport and Logistic Forum van de Europese Commissie om een digitaal corridor informatie systeem op te zetten dat beschikbaar is voor de hele Europese logistieke community. Dit systeem moet samenwerking op het gebied van planning en transportoperaties zo efficiënt mogelijk en duurzaam mogelijk maken. Het is niet de bedoeling dat het een commercieel systeem wordt, maar open en technisch toegankelijk.

TU Eindhoven is één van de Nederlandse deelnemers aan het Fenix Network en verantwoordelijk voor de technische realisatie van het netwerk. ‘In de Europese transportsector zijn veel verschillende communicatienetwerken en datasystemen. Zo hebben havens een port community systeem voor de communicatie rondom havens, de grotere transportbedrijven volgen hun fleet, logistieke operators hebben ook hun eigen databases enzovoorts. Het is de bedoeling dat deze systemen aan elkaar gekoppeld worden en dat de informatie vanuit de verschillende platforms voor iedereen beschikbaar wordt. Zo kan een logistieke onderneming een verzoek doen voor transportcapaciteit voor een order en deze claimen of hij kan inzien welke vervoerder capaciteit heeft. We onderzoeken in dit project welke data er op de verschillende platforms beschikbaar is en zoeken daar de grootste gemene deler in’, aldus Dijkman.

Multimodaliteit

Specifiek voor de Rijn-Alpine pilot, waarin TU Eindhoven deelneemt, is het de bedoeling dat de digitalisering een efficiënt multimodaal transport van deur tot deur mogelijk maakt. ‘Dankzij dit netwerk kan men een beter inzicht krijgen in de beschikbare capaciteit dicht bij huis. Zo kan het aantal kilometers dat er leeg gereden wordt, worden verminderd’. Europa wil dat bij transporten over afstanden van meer dan 300 kilometer vaker voor het spoor gekozen wordt. ‘Bij treinvervoer heb je niet alleen te maken met capaciteit, maar ook met treinschema’s. Je zou op het centrale platform daarbij ook realtime updates over bijvoorbeeld vertragingen kunnen integreren, om deze modaliteit beter af te stemmen op de andere transportmogelijkheden.’

Het is een behoorlijke uitdaging om al die netwerken met elkaar te kunnen koppelen en de juiste informatie te delen. ‘Eén van de belangrijkste aandachtspunten is dat de beschikbare data minder mooi is en meer vervuild dan we gehoopt hadden. Zo is informatie over de locatie van trucks niet altijd beschikbaar of niet accuraat. Grote partijen hebben vaak wel goede GPS informatie van hun fleet en die van hun preferred partners. Maar kleinere bedrijven geven die informatie nauwelijks. Soms kunnen ze alleen het vertrek- en eindpunt geven.’

Een belangrijk deel van het project is gewijd aan standaardisatie, zodat al die verschillende platforms met elkaar kunnen communiceren. Als de verschillende datasystemen op elkaar afgestemd zijn, is het ook belangrijk om de autentificatie en autorisatie van gebruikers te stroomlijnen. Als een gebruiker geïdentificeerd wordt door één van de aangesloten platforms, zou deze op het hele netwerk toegang moeten kunnen krijgen. ‘Wij ontwikkelen tools die de uitwisseling van informatie moeten optimaliseren.’

Kunstmatige intelligentie

Ook het aanpassen van de planningsystemen is onderwerp van studie voor de TU Eindhoven. ‘We kijken wat de mogelijkheden zijn om kunstmatige intelligentie te gebruiken om betere planningen te maken. In klassieke planningen worden ’s nachts de orders gepland, die overdag worden uitgevoerd. Er wordt dan een voorspelling gemaakt van hoe lang een transport kan duren. Maar dit is geen nauwkeurige voorspelling, want onderweg kunnen onverwachte dingen gebeuren. Bij het gebruik van kunstmatige intelligentie worden mogelijke problemen per order bekeken en wanneer dat nodig is kan per order opnieuw gepland worden.’

De technische oplossing die de TU Eindhoven ontwikkelt is vrijwel klaar. Op korte termijn zal dit als demonstratie-model worden gepresenteerd. ‘In deze periode doen we een nulmeting op de verschillende Europese transport corridors. Er wordt geregistreerd hoeveel lading er nu precies per trein vervoerd wordt, hoe lang de leeg-afstand is, hoeveel de ondernemingen vervoeren enzovoorts. Er is natuurlijk al veel hierover bekend, maar de EU wil de totale impact van het Fenix Network kunnen bepalen. Met deze nulmeting kunnen we berekenen wat de totale verbeteringen kunnen zijn. Later in het project zullen eindgebruikers, waaronder vanuit ons land Jan de Rijk, een belangrijke rol spelen in de validatie van de tools. Door de perikelen rondom het coronavirus heeft het project enige vertraging opgelopen en de einddatum is met in ieder geval een half jaar naar voren geschoven.’

Menselijk vraagstuk

Het is de bedoeling dat niet alleen de partijen die zijn betrokken bij dit project kunnen profiteren van het netwerk. Ook derden kunnen er gebruik van maken. Bedrijven moeten voldoen aan de standaarden en autorisatie krijgen om bij de data te kunnen.

‘Grote partijen zoals Jan de Rijk zullen geen problemen hebben om aan te sluiten op het netwerk, maar het is juist interessant als ook de kleinere ondernemers deelnemen. Er is immers een tekort aan transportcapaciteit en er wordt veel gebruik gemaakt van deze ‘éénpitters’, ondernemingen met één of slechts enkele trucks. Als zij gemakkelijk kunnen aanhaken op het systeem, wordt hun capaciteit ook gemakkelijker benut. Als wetenschapper ben ik groot voorstander van Open Data, en ik zie het resultaat voor me als een App ‘Fenix Netwerk’ die iedereen kan gebruiken. Maar bedrijven hebben koud-watervrees en willen niet zomaar alle data delen, vooral met het oog op concurrentiegevoeligheid. Hoe dit goed te regelen is dan niet zozeer een technisch, als wel een menselijk vraagstuk.’

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een gratis proefabonnement af

Bekijk de aanbieding