Port of Amsterdam en belasting; goed begin, slecht einde

raad & recht

David Bowie’s Port of Amsterdam – gebaseerd op het liedje van Jacques Brel – begint positief: ‘In the port of Amsterdam, There’s a sailor who sings, Of the dreams that he brings, From the wide open sea, In the port of Amsterdam.’ Het eindigt met excessief drankgelag en hoerenloperij.

Ook de zaak die zes Nederlandse havenbedrijven – waaronder Groningen Seaports, Havenbedrijf Amsterdam en Havenbedrijf Rotterdam (hierna ‘Port of Amsterdam’) – tegen de Europese Commissie hadden aangespannen eindigde veel minder prettig dan hoe deze ooit begon.

Vennootschapsbelasting

Sinds 1 januari 1956 zijn openbare ondernemingen die een economische activiteit hebben, vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Dit begint goed! Echter, met het oog op het bereiken van een gelijk speelveld op Europees niveau heeft de Europese Commissie (EC) Nederland in 2008 verzocht om aanpassing van zijn wetgeving en afschaffing van de vrijstelling.

Op 1 januari 2016 heeft Nederland zijn wetgeving gewijzigd, waardoor openbare bedrijven vennootschapsbelastingplichtig werden. Hierdoor werden commerciële en openbare bedrijven vanaf 2016 gelijk behandeld. Omdat Nederland de vrijstelling voor de havenbedrijven echter niet had afgeschaft gold dat niet voor hen.

Deze vrijstelling was niet afgeschaft, omdat de omliggende Europese zeehavens evenmin onderworpen waren aan belasting. Afschaffen zou dus in een nadelige positie van de Nederlandse havenbedrijven resulteren. Volgens de EC is deze vrijstelling echter onverenigbare staatssteun, die met ingang van 1 januari 2017 alsnog moest worden afgeschaft. Port of Amsterdam ging in beroep en de Nederlandse staat steunde dit.

Staatssteun

Het beroep richtte zich overigens niet op de vraag of er sprake was van staatssteun, maar meer op het moment van de afschaffing. Port of Amsterdam verweet de EC dat zij voor de Belgische, Duitse en Franse zeehavens geen maatregelen had genomen, noch dat zij voor Nederland een (langere) vrijstellingsperiode had opgenomen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet. Ook mocht Port of Amsterdam niet wijzen naar de andere landen. Het zou aardig zijn geweest als het Gerecht op bepaalde punten een andere koers was gaan varen en misschien had Nederland de overgangsregeling een meer evenredige vorm kunnen geven, bijvoorbeeld in de vorm van een groeischema.

Kort samengevat en gesimplificeerd oordeelde het Gerecht van eerste aanleg dat de belastingregeling voor de Franse, Belgische en Duitse zeehavens verschilt met die van Port of Amsterdam. Bovendien werd in het arrest onder andere gesteld dat de EC niet had gehandeld in strijd met de doelstellingen van de staatssteunregels. De mooie vrijstelling eindigde in mineur en Port of Amsterdam verloor het beroep.

Hoger beroep

Zijn er mogelijkheden voor een hoger beroep? Jazeker, maar het zal lastig zijn voor Port of Amsterdam om zijn gelijk te halen. Het oordeel van het Gerecht is stevig opgebouwd. Voordeel is dat bij een hoger beroep wel een advocaat-generaal een conclusie – een advies – kan delen. Ook kijken andere rechters naar de zaak, maar een andere uitkomst lijkt niet waarschijnlijk.

Inmiddels is duidelijk dat de vrijstelling voor de Belgische en Franse zeehavens per 1 januari 2018 moet worden afgeschaft. Voor de Duitse zeehavens heeft de EC verklaard dat deze zeehavens kennelijk onderhevig lijken te zijn aan Duitse vennootschapsbelasting. Duitsland moet echter aanvullende informatie verstrekken om ervoor te zorgen dat er geen voordelen worden geboden. Port of Antwerp en Port of Le Havre staat dus een vergelijkbaar scenario te wachten, zij het met enige vertraging… Port of Hamburg? Port of Amsterdam!

Port of Amsterdam en belasting; goed begin, slecht einde | NT

Port of Amsterdam en belasting; goed begin, slecht einde

raad & recht

David Bowie’s Port of Amsterdam – gebaseerd op het liedje van Jacques Brel – begint positief: ‘In the port of Amsterdam, There’s a sailor who sings, Of the dreams that he brings, From the wide open sea, In the port of Amsterdam.’ Het eindigt met excessief drankgelag en hoerenloperij.

Ook de zaak die zes Nederlandse havenbedrijven – waaronder Groningen Seaports, Havenbedrijf Amsterdam en Havenbedrijf Rotterdam (hierna ‘Port of Amsterdam’) – tegen de Europese Commissie hadden aangespannen eindigde veel minder prettig dan hoe deze ooit begon.

Vennootschapsbelasting

Sinds 1 januari 1956 zijn openbare ondernemingen die een economische activiteit hebben, vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Dit begint goed! Echter, met het oog op het bereiken van een gelijk speelveld op Europees niveau heeft de Europese Commissie (EC) Nederland in 2008 verzocht om aanpassing van zijn wetgeving en afschaffing van de vrijstelling.

Op 1 januari 2016 heeft Nederland zijn wetgeving gewijzigd, waardoor openbare bedrijven vennootschapsbelastingplichtig werden. Hierdoor werden commerciële en openbare bedrijven vanaf 2016 gelijk behandeld. Omdat Nederland de vrijstelling voor de havenbedrijven echter niet had afgeschaft gold dat niet voor hen.

Deze vrijstelling was niet afgeschaft, omdat de omliggende Europese zeehavens evenmin onderworpen waren aan belasting. Afschaffen zou dus in een nadelige positie van de Nederlandse havenbedrijven resulteren. Volgens de EC is deze vrijstelling echter onverenigbare staatssteun, die met ingang van 1 januari 2017 alsnog moest worden afgeschaft. Port of Amsterdam ging in beroep en de Nederlandse staat steunde dit.

Staatssteun

Het beroep richtte zich overigens niet op de vraag of er sprake was van staatssteun, maar meer op het moment van de afschaffing. Port of Amsterdam verweet de EC dat zij voor de Belgische, Duitse en Franse zeehavens geen maatregelen had genomen, noch dat zij voor Nederland een (langere) vrijstellingsperiode had opgenomen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet. Ook mocht Port of Amsterdam niet wijzen naar de andere landen. Het zou aardig zijn geweest als het Gerecht op bepaalde punten een andere koers was gaan varen en misschien had Nederland de overgangsregeling een meer evenredige vorm kunnen geven, bijvoorbeeld in de vorm van een groeischema.

Kort samengevat en gesimplificeerd oordeelde het Gerecht van eerste aanleg dat de belastingregeling voor de Franse, Belgische en Duitse zeehavens verschilt met die van Port of Amsterdam. Bovendien werd in het arrest onder andere gesteld dat de EC niet had gehandeld in strijd met de doelstellingen van de staatssteunregels. De mooie vrijstelling eindigde in mineur en Port of Amsterdam verloor het beroep.

Hoger beroep

Zijn er mogelijkheden voor een hoger beroep? Jazeker, maar het zal lastig zijn voor Port of Amsterdam om zijn gelijk te halen. Het oordeel van het Gerecht is stevig opgebouwd. Voordeel is dat bij een hoger beroep wel een advocaat-generaal een conclusie – een advies – kan delen. Ook kijken andere rechters naar de zaak, maar een andere uitkomst lijkt niet waarschijnlijk.

Inmiddels is duidelijk dat de vrijstelling voor de Belgische en Franse zeehavens per 1 januari 2018 moet worden afgeschaft. Voor de Duitse zeehavens heeft de EC verklaard dat deze zeehavens kennelijk onderhevig lijken te zijn aan Duitse vennootschapsbelasting. Duitsland moet echter aanvullende informatie verstrekken om ervoor te zorgen dat er geen voordelen worden geboden. Port of Antwerp en Port of Le Havre staat dus een vergelijkbaar scenario te wachten, zij het met enige vertraging… Port of Hamburg? Port of Amsterdam!