Toen het najaar in het land kwam was het ergste al weer achter de rug, hoewel er in de wereld, met Azië en Rusland, niets was veranderd. Ook Azië, zeggen nu de bollebozen, heeft zijn dieptepunt bereikt. In de laatste weken van het jaar kwam het IMF met zijn eindejaars-prognose, volgens welke weliswaar de groei van de wereldeconomie wat zal afnemen, maar dat de groei toch door blijft gaan.
De zon begon weer te schijnen toen de crisis in Latijns-Amerika uitbleef. De Westerse wereld kwam met stand by-credieten voor Brazilië en dat hield de crisis buiten de deur. Zeggen mensen die het weten kunnen. Waarschijnlijk zal nooit iemand weten waarom er in Latijns-Amerika geen crisis kwam. Misschien was er wel helemaal geen crisis en hebben wij ons rampen aangepraat die achterwege bleven omdat zij slechts in onze verbeelding bestonden. Alles bij elkaar: dat was dus 1998, althans wat de economie betreft.

IMF
Als wij het IMF mogen geloven dan ziet het volgend jaar er aldus uit: De wereldeconomie als geheel zal ’slechts’ met 2,2 procent toenemen, waar het IMF eerder een groei van 2,5 procent had verwacht. Weer nog wat eerder, in april, had het IMF een groei van 3,7 procent berekend. Amerika krijgt een groei van 1,8 procent (was twee procent), Europa gaat van 2,5 naar 2,2 procent, Duitsland van twee naar 1,8 procent, Groot Brittannië en Frankrijk worden ook iets minder, Nederland gaat van drie komma zoveel naar twee komma zoveel, Japan krijgt een krimp van een half procent en geen groei van een half procent, zoals het IMF eerder had gedacht, Brazilië krijgt geen groei van 1,5 procent maar een krimp van één procent en Rusland krijgt een achteruitgang van acht procent en nog wat voor de kiezen. Andere prognoses, van OESO in Parijs en grote bankinstellingen, komen ongeveer op hetzelfde neer.
Die berekeningen zien er blijkbaar niet slecht uit, want Amerika en Europa hebben in hun wijsheid besloten elkaar economisch maar weer eens naar het leven te staan, nu met bananen als conflictstof. Het zal menigeen zijn ontgaan dat beide reuzen ruzie over bananen hebben, maar dat hebben zij al een jaar of wat, en nu moet Europa in Amerika invoerheffingen van honderd procent betalen voor uiteenlopende producten. Washingon heeft die producten zo uitgekozen dat Amerika’s vriendjes, zoals Nederland Duitsland en Denemarken, niet of nauwelijks worden getroffen. In het bananenconflict, dat ook in de boezem van de Europese Unie woedt en dat iets te maken schijnt te hebben met het Europese koloniale verleden, stonden Nederland, Duitsland en Denemarken aan Amerika’s kant, omdat die landen uitgaan van een veronderstelde vrije wereldhandel en anderen niet als hen dat niet goed uitkomt. De World Trade Organisation in Geneve, in het leven geroepen om dit soort ruzies te beslechten, staat handenwringend maar machteloos aan de kant.
Overdrijven moet men dit soort conflicten nu ook weer niet omdat de waarde van de goederen die door de invoerstrafheffing worden getroffen ruim een miljard gulden bedraagt, waar alleen al de Nederlandse export in het nieuwe jaar ver over de 400 miljard gulden uit zal komen. Het conflict geeft wel aan dat de wereld zich over Amerika en Europa geen zorgen hoeft te maken.

Azië
Dat ligt anders in Azië. Het IMF verwacht dus voor Japan andermaal een teruggang. De oorzaak van de stagnatie is bekend. Japan lijkt niet in staat te zijn het financiële bestel structureel op orde te krijgen en de maatregelen die de overheid na veel politiek gesteggel heeft genomen lijken niet te werken. De Japanse bevolking is niet onder de indruk van wat de Japanse overheid presteert, al zijn er stemmen in Japan die menen dat Japan ’het ergste achter de rug’ heeft, al wordt niet goed duidelijk waaruit dat dan zou blijken en al zijn er tegenstemmen die menen dat het ergste nog moet komen.
Japan is dus een zeer onzekere factor, vooral voor Oost-Azië. De invloed van de Japanse stagnatie op de rest van de wereld is verwaarloosbaar, omdat Japan nu eenmaal een exportland is en nooit import van enige omvang uit industrielanden heeft toegestaan. Industrielanden kunnen Japan nu dus ook niet helpen. Bij dat alles moet overigens niet worden vergeten dat de Japanse crisis de crisis in Oost-Azië tot dusver niet erger heeft gemaakt. De crisis is in elk van de getroffen landen een probleem van eigen maaksel. Hun export naar Japan betreft in hoofdzaak grondstoffen; als hun export naar Japan zou toenemen omdat het met Japan weer goed zou gaan, dan zouden de betrokken landen daar slechts weinig mee geholpen zijn. Die landen moeten het van export van industrieproducten hebben. Op grondstoffen wordt veel te weinig verdiend om van nut te zijn de crisis te overwinnen.

Export
Daarmee komt men aan een ander raadsel: de vraag waarom het de betrokken landen, Indonesië, Maleisië, Thailand, etc., er niet in slagen om ondanks de sterk gedaalde waarde van hun valuta’s hun industriële export naar Europa en Noord-Amerika sterker op te voeren. Dat zou werkelijk helpen terwijl die export in Amerika en Europa maar weinig concurrentie ondervindt. In Europa alleen van Oost-Europese en in Amerika van Latijns-Amerikaanse landen. Die concurrentie is nauwelijks scherp te noemen. Qua prijs/kwaliteit kunnen Oost-Aziatische landen op de lagere sectoren van de markt in ontwikkelde landen goed meekomen.

Indonesië
In Indonesië maakt de politieke crisis de zaken er niet eenvoudiger op. De regering-Habibi heeft enig succes behaald, en gezien de politieke omstandigheden en de onrust onder de bevolking, redelijk veel succes, in het saneren van de overheidsfinanciën en het terugdringen van het overheidstekort. Voor het komende fiscale jaar wordt het tekort op zes procent geraamd, terwijl een paar maanden geleden nog een tekort van 8,5 procent werd geraamd. De rupia heeft zich een beetje hersteld en de export trekt aan.
Het IMF heeft evenwel een tranche van het stand by crediet, ter grootte van een miljard dollar, opgeschort omdat het IMF bewijzen van de regering-Habibi wil dat het geld niet verkeerd wordt besteed en ook dat het reformasie-beleid wordt voortgezet. Volgens insiders in Jakarta werpen hier de parlementsverkiezingen van juni hun schaduw vooruit. Het IMF-geld zou besteed kunnen worden aan zaken die electoraal goed uitkomen maar die het land niet vooruit brengen. De betrokken tranche was vooral bestemd om het overheidstekort in het nieuwe financiële jaar te financieren. De Wereldbank, die heeft toegezegd zelf een miljard dollar aan Indonesië te verstrekken om gaten in de begroting te dichten, wat overigens niet het werk is van de Wereldbank, die normaal alleen gelden fourneert voor infrastructurele versterking, de Wereldbank dus heeft het IMF gevraaagd op korte termijn met 3,5 miljard dollar over de brug te komen.
Het IMF heeft een totaalcrediet aan Indonesië toegekend van 43 miljard dollar, dat stukje bij beetje aan Indonesië wordt verstrekt als Indonesië zich blijft houden aan de regels die het IMF aan het land heeft gesteld. De critiek op het IMF-programma dat zwaar leunt op structurele hervormingen in Indonesië, is enigszins wegeëbt. Die kritiek was vooral dat het IMF geen rekening houdt met de eigenaardigheden en de karakteristieken van de landen-in-crisis. Het IMF heeft altijd gezegd dat die eigen karakteristieken het beste zijn gebaat bij een algehele gezondmaking van de betrokken landen, en dat zachte heelmeesters de ellende alleen maar erger maken. Het IMF durft geen voorspellingen te doen over het crisisverloop in Indonesië, omdat dat teveel afhangt van wat er in Indonesië gebeurt.

China
China is weer een heel ander verhaal. Eigenlijk zou het elke Westerling verboden moeten worden over China te schrijven omdat het land qua probleemomvang en probleemintensiteit voor een Westerling niet te bevatten is. De regering van premier Zhu Ronghji heeft te kennen gegeven de komende jaren de economie drastisch te zullen veranderen. Staatsbedrijven worden geprivatiseeerd, wat zeggen wil dat zij voor het eerst in hun bestaan winst moeten maken, de overheid moet worden hervormd zodat zij in afgeslankte vorm effectief beleid kan voeren, de verhoudingen tussen de centrale regering in Peking en de regeringen van de onderscheidene deelstaten waaruit China bestaat, moet efficiënter worden, en zo voort en zo verder.
Zhu Ronghji glimlacht als hij zijn programma uiteenzet, maar dat doet hij alleen omdat Chinezen nu eenmaal altijd lachen. Want veel te lachen valt er niet. Er zijn niet veel mensen, in China niet en daarbuiten niet, die denken dat het Zhu Ronghji zal lukken wat hij zich heeft voorgenomen, terwijl diezelfde mensen wel van oordeel zijn dat die hervormingen er moeten komen. Alleen weet niemand hoe dat dan zou moeten.

Groei
De economische groei van China is nog steeds indrukwekkend al weet niemand precies hoeveel die groei het afgelopen jaar is geweest. Volgens statistieken van de centrale regering was het acht procent, terwijl overal elders in Oost-Azië stagnatie of krimp was. Wat men van regeringscijfers moet denken weet geen mens want de Chinese statistieken behoren niet tot de betrouwbaarste ter wereld. De regionale verschillen zijn overigens groot. Shanghai bij voorbeeld ligt qua groei ver boven het nationaal gemiddelde. Shanghai heeft de ambitie een tweede Hongkong te worden. Volgens het gemeentebestuur van de stad heeft Shanghai een sterke groei gehad van buitenlandse investeringen, voornamelijk uit Amerika en Europa, terwijl in China als geheel die investeringen zijn teruggelopen.