De onderhandelingen waren succesvol. De verdragen werden in 1975 geparafeerd door de beide onderhandelingsdelegaties. In Belgie echter werden de teksten niet voorgelegd aan het Parlement, omdat in de toenmalige politieke verhoudingen, die kraakten onder het gewicht van de aanzwellende Vlaams-Waalse tegenstellingen, voor deze dwars door die tegenstellingen heen snijdende verdragen geen meerderheid te vinden was.
Zodat ook vandaag de betrekkingen tussen Rotterdam en Antwerpen, Vlaanderen en Holland, Nederland en Belgie nog steeds worden vertroebeld door belangentegenstellingen -al dan niet vermeend-, wantrouwen en wrevel over het water van Maas en Schelde. Water als eerste levensbehoefte, als drager van vervoer en als vervoerder van stoffen, die er eigenlijk niet in zouden moeten zitten.
Anno 1992 zijn tussen Nederland en Belgie vier ontwerp-overeenkomsten in dit verband in discussie.
1. Het ‘verdrag inzake de samenwerking bij het beheer van de Maas en van de Schelde’, dat vooral procedureel, maar deels ook inhoudelijk regelt hoe de beide landen omgaan met hun gemeenschappelijk belang bij de beide rivieren. Enerzijds eenvoudig, omdat de meeste bepalingen voor deze overeenkomst al elders vastliggen, anderzijds ingewikkeld, vanwege de betrokkenheid van vier Belgische regeringen (Belgie, Vlaanderen, Wallonie en Brussel).
2. Een verdrag over de verdeling van het Maaswater. Dat is, in het nu ter tafel liggende concept, een kleine overeenkomst die voornamelijk regelt wanneer en hoe in de beide landen besparende maatregelen zullen worden genomen wanneer het water van de Maas een bepaalde (lage) stand bereikt. Levert naar het zich laat aanzien geen al te grote problemen op.
3. Een verdrag inzake de uitdieping van de Westerschelde, door het wegbaggeren van de nog aanwezige drempels. Kan, volgens de Nederlandse delegatie, in principe probleemloos worden goedgekeurd.
4. Een nadere afspraak inzake het graven van het Baalhoekkanaal. Kan milieutechnische en ruimtelijke problemen opleveren, omdat dit kanaal een nogal zware ingreep in het Zeeuwsvlaamse landschap zou inhouden. De vraag is ook of men van Belgische zijde de enorme investeringen die voor het kanaal nodig zijn, kan en wil opbrengen.
De ‘oude’ waterverdragen uit 1975 bleken inmiddels op belangrijke punten achterhaald of verouderd. Verschillende andere verdragen en EG- richtlijnen zijn intussen van kracht geworden. Bij de huidige stand van de internationale regelgeving is er ook minder noodzaak tot gedetailleerde onderlinge afspraken.
De belangrijkste steen des aanstoots uit 1975, de aanleg van grote spaarbekkens in de Ardennen, waarmee de Belgen ter hoogte van Luik, ten behoeve van het eigen Belgische en het Nederlandse gebruik, te allen tijde een debiet van 50 kubieke meter Maaswater per seconde zouden moeten garanderen, vindt men thans in Nederland ook niet reeel meer. In de jaren ’70 leek dat een logisch plan, dat aansloot op de eigen behoeften van de Belgen, anno 1992 is er niemand meer die vraagt om een dergelijk duur en zeer ingrijpend project.
Tussen 1985 en 1987, toen duidelijk was geworden dat de concept- verdragen uit 1975 geen kans meer hadden, wisselden de Nederlandse en de Belgische regering brieven uit waarin zij de intentie uitspraken dat op basis van de geparafeerde ontwerp-verdragen uit 1975 de beide regeringen alsnog om de tafel zouden gaan zitten om de Waterverdragen, in geactualiseerde vorm, goedgekeurd te krijgen.
Die briefwisseling, waarbij de ministeries van Buitenlandse Zaken het voortouw hadden en de waterstaat-deskundigen van beiden partijen op de achterbank zaten, heeft volgens sommigen weinig goeds opgeleverd. Want de oude verdragen, met name de verdragsartikelen inzake de waterkwaliteit, bleken in Belgie absoluut onhaalbaar. De Nederlandse inzichten waren trouwens ook gewijzigd. In Belgie -in Antwerpen, de voornaamste belanghebbende- was het accent verschoven van de afsnijding van de Bocht van Bath, die volgens sommige deskundigen slechts een dure deeloplossing betekende voor de toegankelijkheid van de Antwerpse haven, naar de uitdieping van de Westerschelde. Daartoe wil men de drempels die daar de scheepvaart in de weg liggen, wegbaggeren.

Problemen

Door de troebelen met de staatshervormingen in Belgie, waaruit de verdeling van het land in het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse gewest voortkwam, kwamen pas in 1987 de onderhandelingen tussen de Belgische en de Nederlandse delegaties, als uitvloeisel van de briefwisseling van 1985-1987, weer op gang.
De status van de vier ‘kwesties’ is nu aldus.
De onderhandelingen, voor zover die plaatsvinden, concentreren zich momenteel op het verdrag over het waterkwaliteitsbeheer (nummer 1) waar de grootste problemen lijken te liggen. Daarover ligt sinds april 1991(!) een voorstel van Nederland ter tafel, waarop de Belgische delegatie nu hoopt voor het eind van 1992 een reactie te kunnen geven.
Over het spaarverdrag (nummer 2), waarin Nederland en Belgie (eigenlijk Vlaanderen) afspreken dat ze beide zuinig doen met water wanneer de Maas weinig water aanvoert, zijn de onderhandelingen in 1990 op technisch niveau met een voorlopig tussenresultaat afgesloten. Men is elkaar op dit punt dicht genaderd.
De uitdieping van de Westerschelde (nummer 3) is min of meer in de plaats gekomen van het vroegere plan inzake de afsnijding van de Bocht van Bath. Het oorspronkelijke verdiepingsprogramma, voorgelegd door de Belgische delegatie, is in de jaren ’80 door de Technische Scheldecommissie en door de Nederlandse Raad voor de Waterstaat onder een aantal technische voorwaarden, onder andere inzake veiligheid en milieu, aanvaard. Het ontwerp-verdrag ligt klaar, al moeten er nog enkele problemen worden opgelost, onder andere de verdeling van de kosten en de aanpassing (verdere verdieping met enkele voeten) waarvan Antwerpen na 1984 de noodzaak heeft aangevoerd. Maar ook op dit Nederlandse voorstel, uit april 1991, is nog geen officiele Belgische reactie gekomen.
Ten aanzien van het Baalhoekkanaal (nummer 4) ligt nog steeds het geparafeerde ontwerp-verdrag uit 1975 ter tafel. De onderhandelingsdelegaties hebben de afspraak gemaakt dat de Belgen een aangepast concept zullen voorleggen.

Losmaken

Van Belgische zijde -maar niet tijdens de onderhandelingen- wordt dikwijls aangedrongen op ontkoppeling, op een losmaken van de vier verdragen. Officieel is dat verzoek nooit gedaan. Officieel heeft Nederland ook nooit bereidheid getoond -bij voorbeeld- het verdrag inzake de uitdieping van de Westerschelde, een betrekkelijk eenvoudig waterstaatkundig werk, alvast goed te keuren, voordat de andere problemen zijn opgelost. De houding in Den Haag is: het verdrag inzake de waterkwaliteit is, objectief gezien, net zo eenvoudig. Belgie, zegt men, wil ook niet anders dan alle vier de kwesties zo snel mogelijk regelen, Nederland stelt geen enkele overdreven eis, er is geen reden om de zaak verder te vertragen door de verdragen uit elkaar te halen.
Intussen onderkennen alle betrokkenen wel degelijk, dat de discussies over de Waterverdragen de betrekkingen tussen Rotterdam en Antwerpen, tussen Holland en Vlaanderen, tussen Nederland en Belgie, nu al tientallen jaren belasten. Aan Belgische -met name Antwerpse- zijde wantrouwt men de bedoelingen van de Hollanders. Het is inderdaad niet moeilijk in Rotterdam iemand tegen te komen die zegt: ‘van mij mogen ze de Schelde helemaal afsluiten’. Maar in politiek Den Haag bezweert men ons dat dergelijke overwegingen, die misschien meer getuigen van Rotterdamse humor dan serieus worden bedoeld, bij de Nederlandse houding inzake de Waterverdragen geen enkele rol spelen.
Zodat er voor de Nederlandse regering twee wegen open staan. Ofwel doorgaan op de nu bewandelde weg, die naar alle waarschijnlijkheid ooit tot een oplossing zal leiden maar die extreem zware eisen stelt aan coordinatie en samenwerking binnen de Belgische regeringen. Ofwel een gebaar maken en instemmen met de Antwerpse wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de haven, zonder dat daar nu al de onwrikbare zekerheid tegenover staat dat Belgie zal instemmen met het aangaan van verplichtingen die men -zie elders op deze pagina- voor het overgrote deel toch al heeft.

door FRED SANDERS