Stadsdistributie in ruime zin is natuurlijk niets anders dan het vervoeren van goederen van (weinig) afzenders naar (veel) adressen in een binnenstad. Een binnenstad zullen we definieren als een gebied ter grootte van tenminste een vierkante kilometer waar je naar verhouding veel mensen en weinig wegen aantreft. Gemakshalve zullen we aannemen dat die mensen een dusdanige welvaart hebben dat ze zich zelf liefst allemaal per auto verplaatsen en dat ze hun goederen liefst snel en betrouwbaar per vrachtauto laten vervoeren. Dat leidt tot verkeerscongesties, zodat de vraag rijst: kan daar wat aan gedaan worden? ‘Stadsdistributie’ in enge zin is een mogelijk antwoord. Hoe is dit concept door Coopers en Lybrand nader uitgewerkt? Om welke goederen gaat het?1)Niet vers. Dus bijvoorbeeld geen bloemen of kranten. Verse goederen zouden door een extra overslag in een sdc te veel worden opgehouden in het distributietraject.2)Niet vies. Dus bijvoorbeeld geen zakken aardappelen waar zand uit komt. Dat zou samenladen bemoeilijken.3)Niet vervelend. ‘Niet vervelend’ sluit een heleboel uit, maar is niet duidelijk gedefinieerd. Dus geen gekoelde zendingen, geen gevaarlijke zendingen, geen hangend textiel, geen fietsen?4)Niet volumineus. Nog een reusachtige beperking. Zendingen groter dan 1 kubieke meter (lees 1 normale pallet) vallen niet onder ‘stadsdistributie’. Dus de Bijenkorf, die vanuit het centraal magazijn in Woerden zijn filialen in de binnensteden bevoorraadt met volle wagenladingen, valt niet onder ‘stadsdistributie’.5)Niet vederlicht. Voor wat betreft de eerste vier punten valt de brief die de PTT bezorgt onder de definitie van ‘stadsdistributie’. Dat kan niet de bedoeling zijn. Het werkterrein van PTT moet uitgesloten worden, zeker het terrein waarop de PTT een monopolie heeft. Dus wij sluiten ook uit zendingen lichter dan 1 kilogram

Wat blijft er over van de goederenstroom voor ‘stadsdistributie’ na uitsluiting van alle v.v.v.v.v.-goederen? Ik schat een procent van alle zendingen (als je de brieven van de posterijen als zendingen beschouwt), tien procent van het totale volume. Ongeveer het werkterrein van Van Gend en Loos (VGL), NPD, en dergelijke. VGL heeft bovendien al twintig transportcentra in vrijwel alle stedelijke agglomeraties, wat mankeert daaraan? Waarom nog sdc?

Overheid

De overheid zou graag zien dat er in de binnensteden minder voertuigkilometers met meer milieuvriendelijke voertuigen gemaakt werden. In het ‘Tweede Structuurschema Verkeer en Vervoer, deel D: Regeringsbeslissing’ (1990, p. 35) heet het: ‘Ook het zware vrachtverkeer geeft in de binnensteden veel overlast. Daarom kiezen wij, in aansluiting op de Vierde nota over de Ruimtelijke Ordening, voor een meer efficientere (sic) manier van bevoorrading zodat de ‘uitwisselingsplaats’ voor goederen in het binnenstedelijk gebied gewaarborgd blijft. Die efficiency-winst is te behalen door gebruik te maken van stadsdistributiecentra, met milieuvriendelijke voertuigen, aan de rand van de binnenstad/winkelcentra. Bevoorrading vergt op die manier minder voertuigkilometers.’ Wat er mijns inziens in de ogen van de overheid aan het transportnetwerk van VGL mankeert zijn twee dingen:1)Er zouden nog meer goederen via de sdc moeten lopen, zodat er beter gegroupeerd en gerouteerd kan worden en er nog minder voertuigkilometers gemaakt worden;2)Er zouden meer milieuvriendelijke voertuigen gebruikt moeten worden

Mijn commentaar hierop is:Ad 1)Een goede beladingsgraad en goede routeplanning wil elke vervoerder. Dat kan de overheid gerust aan de vrije markt overlaten. Helaas hoort bij de vrije markt concurrentie, en concurrentie leidt wel eens tot inefficiency, bijvoorbeeld als VGL en NPD eenzelfde adres aandoen. Wil de overheid echter de concurrentie opheffen en via een concessie de goederenstroom gedwongen door een sdc sturen, dan is de kans groot dat de overheid het kind met het badwater weggooit. Ad 2)Als de voertuigen waarmee VGL de binnenstad bezoekt niet milieuvriendelijk genoeg zijn, dan moet de overheid aan die voertuigen hogere milieu-eisen stellen. Die eisen moeten niet hoger zijn dan wat technisch mogelijk is, want dan is er geen stadsdistributie meer mogelijk (vooropgesteld, dat de eisen gehandhaafd worden). Of eisen economisch haalbaar zijn, is een kwestie van afwegen, door de overheid, van de prioriteiten van de burgers: liever meer betalen voor duurder vervoer, of liever meer lawaai en stank slikken? Mijn conclusie is dat er niets aan het transportnetwerk van VGL, NPD en dergelijke mankeert. Wij zien dan ook, dat VGL, NPD en dergelijke zich bij de overheid aanmelden als gegadigde voor ‘stadsdistributie’. Inmiddels heeft Transport en Logistiek Nederland een register samengesteld van ‘stadsdistributiespecialisten’, waar meer dan zestig bedrijven in staan, die allemaal menen aan de waan van de dag mee te moeten doen

SDC, ja of nee?

Om zich een zelfstandig oordeel te vormen over het concept ‘stadsdistributie’ en over de wenselijkheid van sdc, heeft een groep cursisten van de nadoctorale opleiding Logistieke Besturingssystemen van de Technische Universiteit Eindhoven een onderzoek uitgevoerd dat heeft geresulteerd in het rapport ‘SDC, Ja of Nee?’). De hele wereld is figuurlijk in de literatuur afgezocht, maar er is nergens buiten Nederland een concept vergelijkbaar met een sdc gevonden. Daarnaast zijn excursies gemaakt naar Bremen en Parijs om de wijze waarop goederen in die steden worden gedistribueerd, te bestuderen

Onze hypothese was dat de vraag ‘sdc, ja of nee?’ ontkennend diende te worden beantwoord. De uitkomst van het onderzoek en de vraag of de hypothese uiteindelijk al dan niet verworpen is, zal ik in de vierde en laatste column van deze serie bespreken. In de eerstvolgende beide columns zal ik u van ons veldwerk in Bremen en Parijs verslag doen

*Prof.dr. C. B. Tilanus is hoogleraar bedrijfskunde aan de Technische Universiteit Eindhoven en hoogleraar distributielogistiek aan de Universiteit van Goteborg

)’SDC, Ja of Nee? Oplossing voor de problematiek rond het binnenstedelijk goederenvervoer?’, Postdoctorale ontwerpersopleiding Ontwerpen van Logistieke Besturingssystemen, Technische Universiteit Eindhoven, 1993

Foto: De distributie van vlees – hier in Rungis bij Parijs – valt binnen het rijtje ‘vers, vies, vervelend, volumineus of vederlicht’ en komt daarom niet voor ‘stadsdistributie’ in enge zin in aanmerking.

door C. B. TILANUS*)

De distributie van vlees – hier in Rungis bij Parijs – valt binnen het rijtje ‘vers, vies, vervelend, volumineus of vederlicht’ en komt daarom niet voor ‘stadsdistributie’ in enge zin in aanmerking.

U las zojuist één van de gratis premium artikelen

Onbeperkt lezen? Sluit nu een abonnement af

Start abonnement