Het belangrijkste verschil tussen ‘gewone’ criminelen en sjoemelende scheepsbrandstofmakers, zo staat in het indrukwekkende rapport te lezen, is dat die laatsten geen vuurwapens op zak hebben of grof geweld gebruiken. Het klinkt niet bepaald als een compliment. Dat deze criminaliteit niet met geweld en rumoer, maar stilletjes achter de schermen gebeurt, wil niet zeggen dat vuile scheepsbrandstof niet dodelijk is. Enkele jaren geleden maakte James Corbett, een autoriteit op het gebied van scheepsemissies, al eens de schatting dat wereldwijd 64.000 mensen per jaar overlijden als gevolg van schadelijke stoffen in scheepsemissies, waarvan 27.000 mensen in Europa. In havensteden als Rotterdam en Amsterdam zijn de concentraties fijnstof als gevolg van scheepvaartactiviteiten extra hoog.

Bunker- of stookolie is op zichzelf al afval (of zo u wilt: het restproduct) dat van ruwe olie overblijft nadat alle ‘schonere’ ingrediënten voor benzine en diesel eruit zijn gehaald. Voegen louche handelaren daar ook nog eens ander (chemisch) afval aan toe, dan is het duidelijk dat scheepsbrandstoffen een gevaar zijn voor onze gezondheid en het milieu.

Dat nota bene een staatssecretaris van Milieu (en Infrastructuur), Joop Atsma, vorig jaar zei dat hij geen maatregelen tegen de branche wilde nemen ‘gelet op het internationale karakter van de bunkeroliemarkt en de mogelijke economische consequenties voor de Nederlandse bunkeroliemarkt’, is dan ook beschamend. Dat je de economische belangen meeweegt in je beleid, juicht het bedrijfsleven uiteraard toe, maar in het geval van de vuile scheepsbrandstoffen zouden gezondheids- en milieu-overwegingen genoeg gewicht in de schaal moeten kunnen leggen om Den Haag in actie te laten komen. Anders kunnen we de term ‘Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen’ wel afschaffen. Dat internationale organisaties het probleem maar moeten oplossen, is een te makkelijke stellingname; de Rotterdamse haven is na Singapore en Fujairah (Verenigde Arabische Emiraten) de belangrijkste bunkerhaven ter wereld, dus zou het Nederland helemaal niet misstaan als het op dit gebied een voortrekkersrol op zich neemt.

Als onder onze neus dit soort ‘criminele bedrijfsprocessen’, zoals de Politieacademie het noemt, plaatsvinden, kan Den Haag het niet maken om weg te kijken. Met het kloeke boekwerk van de Politieacademie in de hand, moet het de politiek eindelijk eens kunnen lukken het probleem serieus aan te pakken, hoe lastig dat ook is.

Paul Jumelet